dinsdag 12 mei 2020

LAGUNA BEACH - 1435 NORTH WEST BLVD, CA - OKTOBER 1980

Netflix, ik ben er helemaal weg van. Televisiekijken is iets wat ik sowieso ontzettend graag doe. Dat begon al met ‘Tante Hannie’ en de liefhebberij loopt tot en met de dag van vandaag door. Tante Hannie, Hannie Lips, was de eerste omroepster die voor de KRO op woensdagmiddag kinderprogramma’s aankondigde. Na afloop zwaaide ze met beide handen voor haar gezicht de kijkertjes gedag, bij wijze van afscheid. Dat deed ze tussen 1958 en 1966, voor zover ik kan nagaan. Niet iedereen van mijn generatie kent Tante Hannie, want in die jaren was een televisietoestel zeker nog geen gemeengoed. Wij woonden boven mijn oma die redelijk in de slappe was zat en die had er al een. Woensdagmiddag zat er dan ook een hele schare buurtkindertjes bij haar zich te vergapen aan het nieuwe wonder uit Eindhoven. 


Die liefde voor het beeldscherm is bij mij nooit meer overgegaan. In mijn geval naast televisie ook nog eens het computerscherm. Het is ook wel een familiedingetje denk ik. Mijn moeder heeft, ondanks stevige lichamelijke ongemakken op latere leeftijd, tot bijna haar laatste adem met passie naar de beeldbuis gekeken. Ze zat haar hele leven boven op de actualiteit. Twee dagelijkse kranten én de televisie was haar ‘window on the world’. Het maakte haar een vrouw die tot het einde heel goed wist wat er in de wereld aan de hand was. De televisie maakte haar laatste jaren bovendien draaglijk. Ook mijn vrouw J. en zoon Stijn hebben dezelfde passie. Tijdens een sollicitatie, toen haar naar haar hobby’s werd gevraagd, heeft J. ooit eens geantwoord,: “Televisie kijken”. De volgende vraag was: "Wat kijk je dan zoal?" "Alles" was haar antwoord. Juist die ontwapenende en eerlijke antwoorden waren mede de reden dat ze de baan kreeg! Het uitvallen van internet en dus ook het televisiesignaal, is in ons gezin niet minder dan een regelrechte catastrofe, een rampspoed van de eerste orde. 

Sinds de komst van meerdere ‘netten’ en, daarna, de kabeltelevisie is voor mij de uitspraak ‘er is niets op TV vanavond’ echt de meest onbegrijpelijke combinatie van woorden die ik ken. Daarbij klop ik mijzelf en familieleden op de borst want wij zijn zeer breed georiënteerde en geïnteresseerde mensen en dan is er, met 100+ kanalen, altijd wat te zien op de televisie. Niet dat men per se televisie moet kijken, maar, enfin, mijn punt is wel duidelijk. Sinds een tijdje is Netflix wereldwijd uitgerold en dat verschoof in korte tijd het televisielandschap van live naar ‘on demand’. J. gaat meestal eerder naar bed en dan heb ik nog uurtje ‘voor mijzelf’. In het verleden keek ik dan naar een praatprogramma of iets dergelijks. Maar met de komst van Netflix moest ik keuzes gaan maken. Het betekende kiezen tussen een goeie serie of de actualiteit, om het maar even zwart-wit te benoemen. Het bleek lastig, maar ik heb inmiddels wel een redelijke mix gevonden. ‘Netflixen’ is voor mij een baken geworden. Een moment om de dag af te ronden met aansluitend een rustig muziekje. Het filmaanbod op Netflix is enorm, maar de kwaliteit is erg wisselend. Mijn voorkeur hebben de series. Binge watchen houd ik niet van; ik wil graag een serie uitsmeren over een paar weken. Dan heb ik elke dag iets om naar uit te kijken. Ik heb al vele tientallen series gekeken waarvan sommige echt fantastisch waren. Te veel om op te noemen. Overigens is voor mij Netflixen een werkwoord geworden want ook Videoland, Amazon en dergelijke diensten vallen wat mij betreft onder het begrip.


Onlangs ben ik op Netflix begonnen aan ‘Dead to Me’. Een luchtige serie vol zwarte humor en briljante cliffhangers. De hoofdrol wordt gespeeld door Christina Applegate, bekend geworden als de sexy en ongelofelijk domme Kelly Bundy. Kelly was de dochter van Al Bundy uit de sitcom ‘Married with Children’. Maar dat is alweer een paar decennia geleden. Christina is inmiddels van middelbare leeftijd en speelt een vrouw die onlangs haar man is verloren. ‘Dead to me’ speelt én is opgenomen in Laguna Beach. Laguna Beach is een kustplaats ten zuiden van Los Angeles. Geloof het of niet, maar daar heb ik ‘gewoond’ en heb er mooie en bijzondere herinneringen aan. Met het kijken naar de serie kwamen die herinneringen weer boven drijven en ik kreeg aandrang ze op te schrijven.

Al meerdere malen heb ik hier mijn eerste grote reis buiten Europa met vrienden R. en H. gememoreerd. In december jl. nog. Medio september 1980 vlogen we met een Boeing 747 van Transamerica naar L.A., huurden daar een auto en verkenden in vier weken tijd een groot deel van de westelijke staten. Een epische roadtrip die ons de rest van ons leven bij zou blijven. Kerouac’s ‘On the Road’ was juist een hit in onze vriendenkring en de onderneming was dus zeer adequaat gepland. 





De oorspronkelijke planning was dat na die vier weken H. weer naar huis vloog om weer bij de baas aan de slag te gaan. R. en ik bleven nog twee weken langer. Ik kan mij absoluut niet meer herinneren wat wij ons eigenlijk hadden voorgesteld om in die twee weken te gaan doen…

Op 11 oktober reden we het laatste grote stuk van onze roadtrip. Van de Grand Canyon via Flagstaff en Barstow naar L.A. De rit voerde van de hoogvlakte van Arizona door de Mojave woestijn. Vanwege de airco in de auto hadden we niet in de gaten dat het buiten steeds heter werd. Bij een tankbeurt sloegen we zowat tegen de vlakte toen we uitstapten. Het kwik ging al aardig richting de 40 graden. Bij de Grand Canyon was het die ochtend maar een paar graden boven nul! We kwamen in de woestijn ook nog in een ‘rain storm’ terecht. Dat zijn bijna uit het niets opkomende zware regen- en hagelbuien die zogenaamde ‘flash floods’ kunnen veroorzaken. Omdat de bodem droog en hard als beton is stroomt het water slecht weg. Langs wegen kunnen zich in no time aan weerskanten van de weg meren vormen. Die kunnen overlopen en eventuele voertuigen zelfs meeslepen. ‘Flash flooding is nature’s number one killer. Never try to cross a flooded roadway or walk through floodwaters’ lees ik nu op de website van het ‘Arizona Emergency Information Network’. We hadden de auto aan de kant gezet omdat we bang waren dat de voorruit zou bezwijken door de enorme hagelstenen. Dat was nu net niet de bedoeling. Wisten wij veel. Maar het liep allemaal goed af. 


We kwamen via Los Angeles uiteindelijk op Highway 1 en reden langs de kust op zoek naar een motel. Ik lees in mijn dagboekje dat we in Laguna Beach aan de politie gevraagd hadden of er ergens goedkoop onderdak was te vinden. Dat konden we blijkbaar vergeten volgens de ‘kit’. Maar we vonden toch wat we zochten: Hamilton House Motor Lodge, 1435 North West Boulevard, een onderdeel van Highway 1. Voor het luttele bedrag van $27 per dag voor ons drieën hadden we een werelddeal. Genoeg slaapruimte én een keuken. We zaten geramd. De lodge bestond uit drie parallel geplaatste gebouwen met ieder één verdieping en een rood pannendak. Wij kregen onze woonruimte in het laatste gebouwtje, het dichtst bij de oceaan. Leuke plek. Je kon er zo naar het strand lopen en we beschouwden het als een lot uit de loterij. 


De eerste twee dagen was H. nog bij ons en we vermaakten ons prima met naar het strand gaan, zwemmen, Mexican fast food eten, het plaatsje verkennen en, uiteraard, ’s avonds een biertje drinken. Dat laatste leek heel vanzelfsprekend voor drie gasten van 23 jaar, maar een gewone bar bleek lastig te vinden. Uiteindelijk vonden we er een. Lange bar, pooltafels, blauw van de rook en bevolkt door grote kerels met dikke buiken en enorme baarden. Beetje ruig volk eigenlijk wel. De Harley’s voor de deur waren natuurlijk wel een hint naar de aard van de clientèle. Wij waren waarschijnlijk net zo oud als die mannen met baarden maar werden, waarschijnlijk vanwege onze schriele Europese voorkomens, zeer argwanend bekeken. “What the fuck are these kids doing here?” zag je ze denken. We moesten onze ID’s laten zien om te bewijzen dat we 18 jaar of ouder waren voordat we ons biertje kregen. We waren er snel weer weg want we voelden ons misplaatst. Dan maar onze ‘Coors’ in ons appartement opdrinken. Coors is een licht biertje wat ik erg lekker vond, ‘brewed from pure Rocky Mountain springwater’.

Na twee dagen brachten we H. weg naar het vliegveld in L.A., leverden onze auto in en namen de bus weer terug naar Laguna Beach. Al die weken waren we behoorlijk geïsoleerd geweest, ons bezoek aan San Francisco uitgezonderd.  We hadden wekenlang gereden door de mooiste en meest verlate landschappen op de planeet. Vaak kon je uren rijden zonder een plaats van betekenis tegen te komen of zelfs een benzinestation. Social distancing avant la lettre. Onze rit terug naar ‘huis’ was dus wel weer even wennen. Van de luchthaven van Los Angeles met de Greyhound bus naar Laguna Beach voerde ons ook langs de achterkant van het rijkste land van de wereld. Met name het busstation van Long Beach was een schrijnende verzameling van gruizige randfiguren en dakloze bejaarden die in afvalbakken aan het graaien waren. Dit is 40 jaar geleden en sinds die tijd zijn de verschillen in dit land vele malen groter geworden. Schandalig.

Los Angeles is een grote en uitgestrekte stad. Dat is wel bekend bij de meeste mensen. Maar de cijfers geven daar wat context bij. Om een idee te geven: onze busrit van de luchthaven, midden in L.A., naar het motel in Laguna Beach was er een van 90 kilometer. Laguna beach ligt precies op de grens van Orange- en Los Angeles County. De Los Angeles agglomeratie heeft een oppervlak die bijna gelijk is aan 1/3 van die van Nederland. Onderstaande kaart geeft een gebied weer van ongeveer 180 kilometer van oost naar west.


Teruggekomen in onze ‘Lodge’ was het opeens toch wel stil zonder H. De interactie was opeens anders en we moesten het nu met zijn tweeën rooien. Dat ging feilloos. We hadden cassetterecorders bij ons, wat boeken gekocht en er was 24/7 televisie op eindeloos veel zenders. Voor ons een nieuw fenomeen, maar we waren er al snel achter dat het aanbod bagger was. Veel lokaal nieuws en onvoorstelbaar veel reclame van de plaatselijke ondernemers. We keken wel eens een serie of een film, maar we vermaakten ons vooral op en langs het strand en met rondslenteren door het stadje. Heel veel anders zat er niet in… We hadden namelijk een probleem: ons geld was op.

Het jaar 1980 is voor mensen van mijn generatie natuurlijk best lang geleden, maar de herinneringen overbruggen zo’n periode alsof het gisteren was. Voor jongeren is dat natuurlijk heel anders en voelt 1980 als een jaar uit de geschiedenisboekjes en dat is ook wel terecht denk ik. Vooral technologisch gezien. De meeste bedrijven hadden nog geen computers en thuis was zo’n apparaat ondenkbaar. Voor het grote publiek lieten internet en mobiele telefoons nog tien tot vijftien jaar op zich wachten. Wat geld opnemen en betalen betreft, dat ging met papier en munten. Niks geen virtueel gedoe of ‘tikkies’. De eerste geldautomaten bestonden al wel in de Verenigde Staten, maar pas vanaf medio jaren tachtig werden die geleidelijk gemeengoed. Trouwens, bankpasjes met een magneetstrip hadden we in Nederland pas vanaf 1990. Ons geld was echt bijna op en hoe kregen we die harde fysieke centen in handen vanaf de andere kant van de wereld?

We waren niet helemaal stom natuurlijk en hadden de financiële situatie wel aan zien komen. We hadden American Express Travellers cheques bij ons, maar die raakten eerder op dan verwacht. Het enige wat we konden doen is naar huis bellen en één van onze ouders te vragen om wat geld over te maken naar een bank in Laguna Beach. Dat was geen probleem want bij de ingang van ons motel stond een telefooncel. Ik belde mijn moeder, leuk om haar te spreken, en legde onze situatie uit. Geen probleem, ze ging het regelen. We hadden een bedrag berekend wat we nodig hadden en ze zou het over laten maken naar het filiaal van de 'Bank Of America’ in Laguna Beach, dat hadden we al besproken aldaar. Hoe dat technisch ging weet ik niet meer. Met de telex ofzo. Het was gelukkig in gang gezet, alleen een beetje laat want een ‘transfer’ zou zo maar eens meerdere dagen kunnen duren… 

Ik lees in mijn dagboekje dat we op 15 oktober ons laatste geld uitgaven. Het is de dag van R.’s verjaardag. Hij wordt 24 en een lege portemonnee is zijn cadeau, haha. Bij wijze van traktatie maakt hij ons laatste echte avondeten, ‘Chow Ming’. De volgende dagen wordt het geleidelijk steeds kariger. Het dieet, lees ik, bestaat uit brood, pindakaas, rijst, eieren en bier. We zijn veel buiten en leggen mijlen af langs het strand en de 'main drag' om in de etalages van kunstgaleries en autodealers te kijken. Je moet wat tenslotte. Op de 17e hebben we nog $1,09 in kas, 15.000 kilometer van huis. Elke ochtend en middag lopen we langs onze ‘vriendinnen’ van de bank om te vragen of het geld al was ‘getransferred’. Ze kenden ons al snel, en bij elke eerste stap in het filiaal kijken ze ons steeds hoofdschuddend aan. ‘Not arrived’. De ‘landlady’ moeten we ook steeds aan het lijntje houden. We hadden een voorschot betaald op de twee weken die we daar zouden wonen en de rest betalen na ontvangst uit Nederland. Ze blijft er maar om zeuren. Volgens mijn herinnering heeft R. dat opgelost door haar even duidelijk te ‘onderhouden’. Dat is een ander woord voor: “Je moet niet lopen zeiken, je centen komen er echt wel aan, b**ch”.


Laguna Beach heeft een mooi mediterraan klimaat. Het is eigenlijk het hele jaar zacht en aangenaam. In januari is de gemiddelde dagtemperatuur 20 graden en in augustus 27 graden. De wintermaanden hebben wat neerslag maar voor de rest van het jaar schijnt de zon grotendeels uitbundig. De nabijheid van de oceaan zorgt bovendien voor een aangename en frisse atmosfeer. Dat is wel even anders een stukje naar het noorden. Elke middag zagen we vanuit L.A. een donkerbruine deken van smog over de zee drijven. Het schijnt in al die jaren niet veel beter te zijn geworden, ondanks de toename van elektrische voertuigen en nieuwe technologieën. Maar in april dit jaar had de ‘City of Angels’, volgens IQAir, een Zwitsers ‘monitoring’ bedrijf voor luchtkwaliteit, op enig moment de schoonste lucht van alle grote steden ter wereld. Het bleken de effecten van de COVID-19 maatregelen. Maar dat ter zijde. Dankzij het mooie klimaat van Zuid-Californië, konden wij ons zonder geld en nauwelijks eten in ieder geval buiten prima vermaken. Mijn dagboek verhaalt van allerlei ontmoetingen op het strand met vogels van diverse pluimage. Erg leuk. 

De generatie van onze ouders heeft de hongerwinter meegemaakt en de meesten, zeker die in de grote steden in het westen woonden, hebben ervaren wat honger is. Nou, wij weten dat sinds oktober 1980 ook. We waren inmiddels een paar dagen verder en ons dieet bestond de laatste paar dagen uit ieder een banaan, een appel en een klein bordje rijst met pindakaas. Dat was het voor de hele dag! Ik herinner mij dat ik gewoon letterlijk pijn in mijn maag begon te krijgen. We kregen steeds vaker visioenen van Taco’s, Burrito’s, French Fries en Ice Cream cones. Op 21 oktober lees ik ons ontbijt, het allerlaatste wat we hadden: ieder 1 sneetje geroosterd oud brood met jam, een kopje thee en water. Dat was het dan. Geen geld en geen eten. Helemaal niets. We barstten gewoon van de honger. We togen in de ochtend weer naar het bankfiliaal en begonnen ons nu toch serieus zorgen te maken. Nog steeds geen geld. Godverdegodver… wat moeten we nu? De landlady moest worden betaald en we moesten eten! In het begin waren we wat lacherig over de situatie, maar dat leuke was er inmiddels wel vanaf. We hadden honger! In de middag gingen we voor ons dagelijkse tweede bezoek naar de bank. We liepen door de draaideur de koelte van de bank in. ‘Onze’ dames vlogen op van achter hun counters met hun handen in de lucht: “It has arrived” riepen ze in koor. Allemachtig, dat was een ‘close call’. De lokale junk-Mexicaan, Tomasito’s, deed daarna zeer goede zaken. De firma Coors ook blijkbaar, want de volgende dag voelde ik mij zeer belabberd. Maar het gaf niet want we konden weer eten. Een vergelijkbare ervaring, maar dan zonder honger, heb ik ooit in Singapore gehad waar moederlief mij ook weer net op tijd uit de brand hielp.


Twee dagen na ontvangst van onze centen huurden we een Chevrolet Chevette (de Amerikaanse versie van een Opel Kadett) en reden via San Diego naar de grens met Mexico. Te voet staken we over en bezochten een dagje de grensstad Tijuana. Een groter contrast met Amerika was niet denkbaar. Een dagje in ‘TJ’ laat je tegenwoordig wel uit je hoofd. Tijuana werd in 2019 beschouwt als gevaarlijkste stad ter wereld met een aantal moorden van 138 per 100.000 inwoners als gevolg van de 'Mexican Drug War'. In Nederland is dat cijfer 0,8. Maar in 1980 was het een ongevaarlijk en leerzaam uitstapje. Het was voor ons de eerste keer in een, min of meer, derdewereldland. We waren vooral verbijsterd over de troep en de vieze markten met vlees en vliegen en degelijke. Maar het was goed om dat eens een keer te zien.


De nacht na ons bezoek aan Mexico herinner ik mij ook nog. De huurders naast ons bleken hobbyisten te zijn en dan heb ik het niet over postzegels verzamelen. Nee, ik bedoel bonken, flensen, fleppen, ketsen, kezen, kieren, naaien, vozen, wippen, palen, enzovoort. Want dat had het stel tot kunstvorm verheven en deden ze, godgloeiendegloeiende, bijna de hele nacht door. De dame bereikte haar hoogtepunt menigmaal die nacht en daar maakte ze geen geheim van. Men hoorde het in Keulen donderen zal ik het maar noemen. Maar we waren jong en konden tegen een stootje, net als de buurvrouw. 

We vermaakten ons nog een paar dagen prima en op 28 oktober pakten we de Greyhound bus richting Los Angeles International Airport. We stopten nog in Long Beach om Frank Zappa LP’s af te halen. Hoe dat precies zat weet ik niet meer. Volgens mij hadden we ze daar eerder gekocht en afgesproken ze later op te halen. Dat weet R. nog wel denk ik. Het was 28 graden in de schaduw die dag in L.A. We vlogen via Chicago en hadden een stop in Bangor, Maine. We konden even naar buiten weet ik nog. Het was nat, donker en er lag sneeuw. Geloof het of niet, maar via de website van Wunderground kun je gewoon kijken wat de temperatuur was. Tot op het uur! Het was die nacht min 2,2 graden celsius. Om 11.15 uur arriveerden we in Amsterdam. 

Hamilton House Motor Lodge bestaat nog steeds. Het heet nu anders: Crescent Bay Inn. Aan de buitenkant ziet het er nagenoeg net zo uit als in 1980, maar van binnen is het schitterend geworden. Zoals hier in Nederland de Van der Valk hotels zijn ingericht tegenwoordig. Dat beschouw ik als een groot compliment want die zijn tegenwoordig van topniveau. De prijzen van het motel zijn even wat anders dan in 1980, maar dan heb je ook wat. Het lijkt mij super om daar weer eens een nachtje te slapen. Kijk maar eens: Crescent Bay Inn


Ruim een maand nadat we thuis waren bracht Steely Dan haar album ‘Gaucho’ uit. De eerste song heet ‘Babylon Sisters’. Het gaat over een man die een zwoele autorit langs de Californische kust maakt in het gezelschap van dames van lichte zeden. De tekst van het lied dekt niet helemaal de lading van ons verblijf in Californië maar staat vol zinsneden die dat wel doen. Zoals hun album ‘Aja’ zal ‘Babylon Sisters’ voor mij altijd een, bijna melancholieke, associatie blijven met onze avonturen in het land van de onbegrensde mogelijkheden. Dus dat hoort ook bij dit verhaal. Hieronder een Youtube filmpje van Jamal Phillips, een rapper en muziekproducent. Hij heeft een hele rij filmpjes gemaakt waarbij hij onbevooroordeeld naar voor hem onbekende muziek luistert. Ik heb deze filmpjes al vaker bekeken. Ontzettend leuk en we zitten helemaal op één lijn. 'Babylon Sisters' is een meesterwerk van compositie, spel en productie en elke muzikant of producer pikt dat er direct uit. Ik vond dit leuker dan gewoon een linkje naar een stukje muziek.


Het was een fantastisch ervaring geweest en smaakte naar meer. Roadtrips met eigen vervoer door Europa heb ik daarna meerdere keren gemaakt, maar in de Verenigde Staten nooit meer. Voor J. en mij staat het voor volgend jaar op de planning. Maar we leven in onzekere en turbulente tijdens. Een roadtrip volgend jaar? Deo Volente zal ik maar zeggen.

zondag 19 april 2020

CORONA & NIEMAND IS EEN BINNENMENS

Een tijdje terug, het was op een dinsdag, kondigde een collega aan dat hij de rest van de week vrij was. “Lang weekend” zei hij. “Gaan jullie iets leuks doen?” vroeg ik. Ja, ze gingen naar Bali. “Bali? Bali Indonesië?” Ja dus. Voor een paar honderd euro de man dinsdagavond heen en zondag terug. Belachelijk. Vulgair bijna. Vanaf dat moment wist ik het zeker, de wereld draait écht door. Dat gevoel bleef bij mij tot begin dit jaar. Maar toen kwam Corona. Aanvankelijk deden we er wat lacherig over maar al snel bleek dat dit een heel serieus probleem ging worden. Toen Corona een beetje ‘lekker’ op gang kwam wist ik het, bij wijze van spreken, bijna zeker: dit is goddelijk ingrijpen. De ziekelijke drang van de mensheid naar macht, geld en consumptie, waardoor samenlevingen doordraaien en de planeet uitgeput raakt, daar moest een keer een einde aan komen. Of het Onze Lieve Heer is of toeval, de timing van Corona had niet ‘beter’ kunnen zijn. Het was blijkbaar tijd. De foto hieronder heb ik een paar weken geleden gemaakt tijdens het avondfietsen. Ik was gestopt voor een mooie sfeerfoto en om even te genieten van de nieuwe 'Corona-stilte'. Ik had mijn plaatje gemaakt, draaide mij om en zag onderstaand stilleven bij een vuilnisbak, een halve meter van waar ik stond. 'Synchronicteit' noemde Carl Jung dit. Heb ik wel vaker 'last' van, zoals de oplettende lezer weet.


COVID-19 (Corona VIrus Disease 2019; officiële naam SARS-CoV-2) is een zeer besmettelijke infectieziekte. In de volksmond noemen we het ‘Corona’. Het klinkt een beetje als een hit van Jacques Herb uit de jaren zestig, maar het is aanmerkelijk minder onschuldig. SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome) is een levensbedreigende vorm van longontsteking. De eerste gevallen verschenen in 2002 in China. De oorspronkelijke verwekker van SARS is het menselijk coronavirus (SARS-CoV). COVID-19 is een variant. De meeste mensen die het krijgen merken niets of hebben wat lichte grieperige verschijnselen die vanzelf weer verdwijnen. Maar als je pech hebt, dan ben je aan de beurt en is er gerede kans dat je het niet meer kunt navertellen. Als de patiënt op een IC terecht komt en het overleeft dan is er grote kans op blijvende schade aan de longen. Ouderen, mensen met obesitas of onderliggende ziekten lopen het hoogste risico. Mannen blijken ook vaker slachtoffer te zijn dan vrouwen. Anders dan met Influenza (griep) of andere SARS-gerelateerde corona-virussen, weten we niet wie het heeft want als je geen verschijnselen hebt én dus geen reden hebt om naar een dokter te gaan kun je toch drager zijn en anderen besmetten. Dat is precies het gevaar van Corona. De mortaliteitscijfers zijn daardoor wel onbetrouwbaar. Het percentage doden zou minimaal tweemaal zoveel zijn als bij de jaarlijkse seizoensgriep en vele malen hoger dan, bijvoorbeeld, bij de Mexicaanse griep (Influenza A/H1N1) van 2009. Maar als het aantal geïnfecteerden inderdaad vele malen hoger is dan nu bekend is, dan is de mortaliteit weer vergelijkbaar met Influenza of zelfs (veel) lager. De hele wereldbevolking testen gaat ook niet, dus we zullen de werkelijke percentages wellicht nooit te weten komen. Op dit moment (19 april 2020) staat de teller wereldwijd op 152.551 Corona-doden. Wat de toekomst gaat brengen weet geen mens. Een vaccin of andere techniek (bloedplasma bijvoorbeeld) zal de oplossing moeten brengen. We gaan het meemaken, als Corona ons niet te grazen neemt.

 

Een aantal cijfers vallen wel op als je er even induikt. Het aantal doden ten gevolge van Corona in China staat nu op 4.642, als ze ons niet voorliegen tenminste. Op een bevolking van 1,4 miljard mensen is dat 0,00033 %, dat is praktisch nihil. De extreme lockdown van Wuhan lijkt dus heel erg effectief te zijn geweest. Dat op bepaalde plaatsen in de wereld Corona om zich heen slaat als een losgeslagen wild dier is ook zeer vreemd, zoals New York. Het aantal dodelijke slachtoffers van Corona van dit jaar staat in Nederland nu op 3.751. Opmerkelijk is de spectaculaire afname van het aantal ziekenhuis opnamen én duidelijke afname van het aantal dodelijke slachtoffers. Ik hoor daar eigenlijk niet zoveel over, maar dat heeft waarschijnlijk te maken met strategische keuzes en dat is begrijpelijk. Dit zijn de grafieken van het RIVM van vandaag (19-4-2020):



Dan Influenza-cijfers. Elk jaar sterven er wereldwijd tussen de 500.000 en 650.000 doden aan ‘respiratory diseases’, Influenza gerelateerde aandoeningen, ook wel 'Seasonal Flu' genoemd. Die cijfers verzin ik niet, die komen van de WHO. De Hong Kong griep van 1968-1969 kostte wereldwijd meer dan een miljoen mensen het leven. In de winter van 2017 op 2018 was er een oversterfte ten gevolge van Influenza in Nederland van bijna 10.000 mensen. Oversterfte is het aantal overlijdensgevallen boven het statistisch gemiddelde. Tijdens de epidemie van 2017/2018 overheerste het type B-griepvirus wat nooit eerder het geval was en waar de vaccins niet volledig geschikt voor waren. Het vaccin schoot er dus in veel gevallen naast met behoorlijk desastreuze gevolgen. Een 'gewone' winter brengt Nederland gemiddeld ongeveer tussen de 2.000 en 2.500 griepdoden met behoorlijke uitschieters naar boven en naar beneden. De uitschieters naar boven waren het afgelopen decennium: 6.300, 8.600, 3.900, 7.500 en 9.500 (cijfers: RIVM). Ons dagelijks baken en orakel in Corona-tijden, viroloog Ab Osterhaus, heb ik één keer over de seizoensgriep horen spreken, met name die van 2017/2018. "Om de zaken een beetje in perspectief te plaatsen", zei hij tijdens praatprogramma ‘Op 1’. Volgens mij hebben ze na die uitzending tegen hem gezegd: “Voortaan geen woord meer over griep, Osterhaus, anders flikkeren we je eruit. Als iedereen maar een beetje gaat lopen relativeren dan kijkt er straks geen mens meer.” Het woord 'griep' om de zaken in context te zien heb ik daarna niet meer gehoord.


De algemene reactie op die griepcijfers is, als het ter sprake komt: “daar hebben we vaccins voor en we weten meestal precies hoe de ziekte zich jaarlijks ontwikkelt en dat weten we van Corona niet”. Ja, dus? We lopen nu allemaal rond als paranoïde angstige wezels, zelfs buiten. Wat doen we elke winter met zijn allen in ons gedrag om besmetting door Influenza van onze medemens te voorkomen? Niets. Helemaal niets. Nada. Nooit gedaan ook. We hoesten en proesten iedere herfst en winter gewoon lekker om ons heen. Om die paar duizend griepdoden bekommert zich geen mens. Dat is elk jaar ‘business as usual’. De winter van 2017 op 2018 ging het dus goed mis met de griep. In totaal werden tussen oktober 2017 en mei 2018 ongeveer 900.000 mensen ziek en was er een oversterfte van 9.500 mensen (bron: RIVM). Maar dat gaf niet want “daar hebben we vaccins voor en we weten precies hoe de ziekte zich jaarlijks ontwikkelt”.


Mijn lieve vrouwtje heeft elk jaar wel een keer een heftige verkoudheid en soms griep. Begin 2018 was het ook raak en ze werd met de dag zieker. Op een gegeven moment werd het gewoon te erg en heb ik actie genomen en binnen een uur lag ze in volledige quarantaine in het ziekenhuis. Een dag later en ze was er niet meer geweest… Ik was toen zeer geschokt door de bijna dodelijke agressiviteit van het virus. Ik wist sowieso niet dat Influenza jaarlijks duizenden levens kost in Nederland én wereldwijd. Niemand weet dat trouwens. Tot op de dag van vandaag reageren mensen eigenlijk gewoon niet als ik onze ervaringen uit 2018 deel. Ik vertel dan dat J. er toen bijna was geweest. Dood, kassiewijle, de pijp uit. “Mijn vrouw was bijna dood he?” probeer ik het dan nog een keer. “Ja, ja, het is me wat zeg... Lekker weer he?” is zo'n beetje de gemiddelde reactie. Het kwam gewoon niet binnen. Nog steeds niet. 



Maar je zal zelf maar serieus ziek worden van Corona, of één of meerdere van je naasten. Dan dank je onze lieveheer, daar is-ie weer, als je ongeschonden uit de strijd komt. Of wat te denken van al die ondernemers die failliet aan het gaan zijn en iedereen die onherroepelijk zijn baan kwijt gaat raken of al kwijt is? Ook als het virus op niet al te lange termijn uitgewoed raakt of als er een vaccin voorhanden komt, dan zijn we nog lang niet van de gevolgen af. We moeten de maatschappij geleidelijk weer gaan opstarten want anders zijn de economische, sociale en psychologische gevolgen van een schaal die in geen verhouding staan tot Corona. Het lijkt mij een no-brainer. Quarantaine is het afschermen van risicobronnen. We doen het nu andersom waardoor de samenleving nagenoeg is stil gelegd. Het was op dat moment waarschijnlijk de enige en goede keus geweest van onze overheid, denk ik.

Maar het wordt nu tijd om de bakens héél snel te gaan verzetten. Het opsporen van virale hotspots en het direct en volledig isoleren van zieken én besmette personen uit hun netwerk lijkt mij de enige remedie. Je loop dan wel steeds wel achter de feiten aan maar met twee stappen vooruit en één achteruit kom je er op een gegeven moment toch, denk ik. Verder en tot nader order afstand houden, handjes wassen en een mondkapje gebruiken (waarom doen we daar in Nederland in vredesnaam zo moeilijk over?) moeten dan de rest doen. Het lijkt mij allemaal een vanzelfsprekendheid. Een nieuwe lockdown lijkt mij niet wenselijk. We gaan het zien.

We zullen daarnaast ook moeten nadenken over herijking van onze waarden ten aanzien van ons milieu, de-globalisering en dat soort zaken. Of dat ooit gaat gebeuren? Ik moet het nog zien. Voorlopig houden we maar afstand, spreken we bijna niemand, ontsmetten we de hele dag onze handen en hopen we dat deze bizarre situatie snel voorbij gaat.


De mooiste reclame van de laatste tijd vind ik die van Bever: ‘Niemand is een binnenmens’. Prachtige slogan en begeleid door een schitterend reclamefilmpje van allerlei sporters die zich door weer en wind aan het afbeulen zijn. Een gevoel wat ik goed ken van vroeger. Fietsen en bergen klimmen met wind, regen, kou, sneeuw en hagel. Soms vervloekte ik de elementen, maar ‘at the end of the day’ voelde ik mij altijd fantastisch. Het gevoel dat het leven door je heen stroomt, dat je de wereld aan kunt en je super voelt. Geweldig gewoon.


Samen met vriend K. was ik ooit in Schotland om een weekje in de bergen te wandelen. De week begon met fantastisch weer maar het werd geleidelijk slechter en de laatste dagen viel er op de hoogste Munros sneeuw. Een Munro is een berg hoger dan 3000 voet. We hadden ons zelf voorgehouden niet te wijken voor het weer, hoe erg ook. De laatste dag waren we zwaar aan de beurt. We besloten ‘Doune Hill’ te beklimmen. Een ‘berg’ van 734 meter bij Loch Lomond. Niet erg hoog, maar in Schotland begin je vaak op zeeniveau en mede door de weersomstandigheden werd het een ronduit zware bergtocht. Halverwege de klim stak er een heftige storm op en tot de top werden we gegeseld door bizar harde wind en regen- en hagelbuien. Het was eigenlijk pure zelfkastijding. Maar ’s avonds in de pub met een pint en een pie was ons gevoel van tevredenheid en prestatie gewoon euforisch. Dat was in 1998. Op de foto’s hieronder staat K., volledige doorgeregend, te kleumen vlak bij de top en ik sta even in de luwte van een rots, om niet weggeblazen te worden.



Dat euforische gevoel was lang geleden. Een tijdje terug, vorig jaar denk ik, keek ik met nostalgie en jaloezie naar dat sportende volk in het Bever reclamefilmpje. Ik had het gevoel dat ik dat nooit meer zou meemaken. Ik voelde me oud, moe en uitgeput van het werken, van de files, van de niet aflatende druk om te presteren. Elke dag. Met het reizen er bij ook nog eens klokje rond. Niet normaal, iemand van 62 jaar die iedere dag 12 uur lang in de weer is voor zijn werk. 100% gekkenwerk. Het enige wat ik ’s avonds nog kon doen was een uurtje slapen na het eten, beetje TV kijken, muziekje luisteren en dan was het weer gedaan met de dag. Maar vorig jaar kwam de E-bike en die veranderde mijn leven belangrijk. Daar heb ik het uitgebreid over gehad. Het was een eerste stap in de goede richting. In de winter, ondanks mijn stoere verhalen hierboven, heb ik de fiets nauwelijks gebruikt en zakte ik weer een beetje in. In het aardedonker rijden met kou en regen is gewoon niet leuk. Toen diende Corona zich aan…

De eerste week van de beperkte lockdown-maatregelen werd ik steeds ‘raar’ wakker. In wat voor wereld zijn we terecht gekomen? Het voelde onzeker, bedreigend en beklemmend. Surrealistisch. Maar aan het einde van die week ebde de onrust wat weg en werd het gevoel anders. Het was ook zulk ongelofelijk mooi weer die week én de weken er na. Er daalde een rust over de wereld die we nooit eerder hadden gezien in ons land. De lucht werd intens blauw. Condensstrepen van vliegtuigen waren er niet meer en overal verschenen opeens vogels die mij nooit eerder waren opgevallen. De stilte werd hoorbaar. Wij, ons gezinnetje, prijzen ons (zeer!) gelukkig dat we allen nog dagelijks naar ons werk kunnen. Geen probleem want de wegen zijn nagenoeg leeg. Ik werk bijna gelukzalig alleen in mijn eigen kantoortje in Rotterdam en het enorme (verzamel-) kantoorpand is bijna leeg. Ik heb meer collega’s in mijn leven gehad dan me lief is en ik kan heel goed zonder ze. Bovendien is er e-mail, telefoon, Skype en noem het maar op. Ik hoop natuurlijk voor iedereen dat Corona snel voorbij is, maar ik vind het wel even heerlijk zo. Hieronder het parkeerterrein bij kantoor ongeveer drie weken geleden. Er is ruimte voor honderden auto's achter al deze kantoren. De zwarte Mercedes is mijn auto en de enige die er staat.


De nieuwe stilte en het prachtige weer motiveerde mij om ’s avonds het fietsen weer op te pakken. Ik moest even een drempel overwinnen, maar het genot van de E-bike was zo groot dat ik mij na een paar avonden alweer een ander mens ging voelen en genoot van het buiten zijn. Ik besloot elke avond te gaan fietsen. Geen gelul, naar buiten!



Met elke rit begon ik mij fitter te voelen. Het was, zeker in maart, steenkoud en als ik ging rijden was het maar een paar graden boven nul. Bovendien waaide het ook vaak keihard uit het noorden wat de gevoelstemperatuur nog verder deed zakken. Gewapend met handschoenen, lekker warm jasje en een sjaal beukte ik er elke avond op los. Niet alle dagen waren strakblauw. Op een avond werd ik overvallen door regenbuien en hagel. Toen ik thuiskwam dacht ik: “Yes, yes, yes!” Dat intense en tevreden gevoel, waarvan ik vorig jaar nog dacht het nooit meer mee te maken, dat was er weer! Geweldig. Ge-wel-dig. Het ideale fietsmoment is voor mij een half uur voor tot een half uur na zonsondergang. Dan is er nog voldoende licht en zijn al die mooi-weer wandelaars, hardlopers en ander rapalje weer van de straat. Dan heb ik de wereld voor mij alleen, zoals het hoort.

Eén van de fietsavonden was het glashelder. Steenkoud, maar er stond weinig wind. Ik was wat later gaan rijden en de zon was al onder. Rondom de plassen was het een leven van belang van rondvliegende en in het water spetterende vogels. Zo had ik het nog nooit gezien. De avondhemel was paars en oranje en ik ervoer een bijzondere sensatie van ‘het leven’ door mijn aderen stromen. Op een gegeven moment, in een leeg stuk polder, stegen er twee ganzen met luid gespetter en al ‘gakkend’ vanuit het water naast mij op. Ze vlogen even parallel en net zo snel als ik fietste. Wauw, het was een moment dat ik nooit meer vergeet. De spectaculair gekleurde hemel, die klapwiekende vogels vlak voor mij en het gevoel dat ik met ze mee vloog naar de horizon, als in een BBC-natuurdocumentaire. Fantastisch gewoon.


Tijdens mijn fietsrondjes heb ik altijd een smartphone op zak. Je weet maar niet wat je tegenkomt. Stel dat er een UFO landt en er stappen allemaal van die grappige groene kereltjes uit, dan baal je toch dat je dat niet kunt vastleggen. Ik heb een kleine selectie samengesteld van foto’s die ik heb gemaakt tijdens het avondfietsen. Allemaal binnen een straal van ongeveer 15 kilometer van ons huis in Gouda. Met name ten oosten van de stad en ten noorden bij de Reeuwijkse Plassen. Het is een schitterend en oud cultuurlandschap met dorpjes, boerderijen, plassen, graslanden en grote lege polders zonder windturbines en andere horizonvervuiling. Sinds het vliegverkeer op zijn gat ligt is de stilte ook immens geworden en zo zou het altijd moeten blijven. De fotootjes zijn ongeveer tot 1/3 verkleind en gemaakt met een iPhone 6S. Niet bepaald 'state of the art', maar het is een makkelijk en vooral licht apparaatje. Op de laatste paar foto’s is er toch een vliegtuig te zien met condensspoor. Dat zag er best wel mooi uit tegen die blauwe hemel. Het leek wel een gelanceerde raket. De ‘ster’ naast de condensstreep is Mars. Met een relatieve vochtigheid van minder dan 30% is die planeet heel goed met het blote oog te zien. De laatste foto is de Maan op de kleinste afstand van de aarde. Perigeum heet dat. Die foto heb ik als enige niet met een smartphone gemaakt maar met een Fuji HS-10, toen ik thuiskwam van één van mijn rondjes. 

De fotootjes staan hier: AVONDFIETSEN 2020


Inmiddels fiets ik nu al bijna twee maanden, iedere avond, zeven dagen in de week, geen dag uitgezonderd. Onlangs 53 kilometer gereden en dat is voorlopig wel een record denk ik. Ik gebruik op mijn QWIC E-bike bij voorkeur ondersteuningsniveau 2 of 3 van de 5 en rijd met een gemiddelde snelheid tussen de 25 en 30 kilometer per uur. Dat is qua weerstand en inspanning vergelijkbaar met gewoon fietsen, maar dan ga ik wel minimaal 10 kilometer per uur harder. Met tegenwind schakel ik één of twee niveaus bij, want dan wil ik het genot en voordeel van een E-bike uitbuiten. Daar heb ik hem voor aangeschaft. Mijn conditie is inmiddels van een andere orde geworden. Geweldig, wat een openbaring. Zo heeft Corona voor mij een tweede, alternatieve, betekenis gekregen en ervoor gezorgd dat ik het nu weer zeker weet: ‘Niemand is een binnenmens.’





zondag 12 april 2020

LOUIS VAN DIJK – R.I.P.

Louis van Dijk zag ik in 2018 bij Jeroen Pauw, tijdens de special over dementie en Alzheimer. Ach, aardige man volgens mij. Dementie is verreweg de belangrijkste doodsoorzaak van Nederland maar toch schrok ik wel toen ik las dat hij vandaag is overleden. Mijn eerste jazz LP’s waren namelijk van Louis. Ik was 13, 14 jaar toen ik ze kocht en draaide ze helemaal grijs. Mooie muziek met allerlei jazz standards. Steile leercurve voor mij en de opstap naar het zwaardere werk. Louis en kompanen ben ik in de enorme maelstrom van nieuwe muziek begin jaren zeventig uit het oog verloren. Maar Louis van Dijk heeft voor mij een wereld toegankelijk gemaakt die ik misschien anders nooit had ontdekt.


zaterdag 4 april 2020

SNARKY PUPPY – LIVE AT THE ROYAL ALBERT HALL

Inmiddels schrijf ik alweer dertien jaar blogs op drie verschillende ‘platforms’. Blogger van Google bevalt mij het beste en dat is het huidige platform. De eerste twee werden gehost door one.com. Ze staan nog steeds online en af en toe zoek ik nog eens wat terug. Dit weekend heb ik een kleine zoektocht gedaan naar Snarky Puppy. Op het tweede platform heb ik over hen tot vervelens toe geschreven en in onverhuld enthousiaste termen. Menig lezer zal destijds gedacht hebben “ja, ja, nu weten we het wel”. Mea Culpa. Ik was eigenlijk op zoek of ik ooit ergens de woorden had gevonden om te beschrijven wat Snarky Puppy nou zo goed maakt. Voor mij dan welteverstaan. Directe aanleiding was mijn zeer positieve ervaring met hun nieuwe album ‘Live at the Royal Albert Hall'. Binnen onze muzikale gelederen was de ontvangst echter ‘wisselend’, zal ik maar zeggen. Opmerkelijk en voor mij reden om mijn gedachten daar eens over te laten gaan en er deze blog aan te wijden. Ik kom straks nog even terug op het album.

Opmerking: blijkbaar, ondanks bron- en copyright vermelding, heeft Google de geplaatste illustraties als 'copyright violation' gezien en vervangen voor 'verboden in te rijden' plaatjes. Ik heb ze allemaal verwijderd. Dan maar zonder plaatjes. Voortaan dus alleen maar eigen werk en copyright vrij materiaal.


Zoeken naar het woordje ‘Snarky’ onder ‘Muziek’ op mijn tweede blogplatform leverde nogal veel hits op. Het was dus even spitten in mijn eigen schrijfsels naar een beschrijving van hun muziek. Het leverde niet veel meer op dan enthousiaste uithalen over diverse albums en concerten. Dat was in 2015. Is het eigenlijk wel mogelijk Snarky Puppy’s muziek, alle muziek eigenlijk, in woorden te vatten en over te brengen naar anderen? Misschien is het een onmogelijke opdracht aan mijzelf. Het is wellicht als Conrad’s Roberts strofen uit zijn gedicht op Miles Davis’ Live-Evil Album: “Who is this music that which description may never justify? Can the ocean be described? Fathomless music”. Maar communiceren en enthousiasmeren zijn bestaansredenen van mijn blogs en dus ga ik toch een poging wagen.

Nog even in het kort waar we het over hebben. Snarky Puppy is een muzikaal collectief uit New York onder leiding van bassist Michael League en opgericht in 2004. Snarky Puppy combineert een verscheidenheid aan muzikale stijlen zoals jazz, rock, wereldmuziek en funk. De band is samengesteld uit een wisselend internationaal gezelschap van muzikanten van allerlei pluimage. Snarky Puppy werd een aantal jaren terug plotseling wereldwijd beroemd en de lijst van ‘awards’ is eindeloos. De liveoptredens zijn een regelrecht spektakel waarbij tien tot vijftien man op het podium staan. Legendarisch waren de fantastische concerten met het Metropole Orkest waarbij er totaal tachtig muzikanten op de planken stonden. Michael League en kompanen zijn tegenwoordig graag geziene gasten voor workshops op allerlei podia en conservatoriums over de hele wereld. De meeste leden hebben hun eigen bands en treden ook op met andere gerenommeerde artiesten op zoals Marcus Miller, Roy Hargrove, David Crosby, enzovoort. Snarky’s tourschema’s zijn moordend en van al hun optredens zijn kort erna op hun website MP3 en FLAC bestanden te downloaden.

Ik heb geen muzikale opleiding dus ik waag mij niet aan techniek. Maar wat rondneuzen op internet verschaft wel wat meer inzicht. Het hoge muzikale niveau komt niet zomaar uit de lucht vallen. De meeste bandleden hebben een klassieke- of jazz conservatorium achtergrond en hun muziek is dus een samensmelting van die verschillende achtergronden. Michael League is een jazz- en sessiemuzikant, toetsenist Cory Henry (ex-SP) komt uit de gospel wereld, Bill Laurance is een klassiek opgeleid pianist, percussionist Nate Werth is geschoold in klassieke Indiase muziek, enzovoort. Deze invloeden vind je terug in hun composities en op het podium. Kennis en vaardigheid met en van harmonieleer, polyfonie, syncopen en dergelijke (ik praat maar na wat ik lees 😀) zijn de vanzelfsprekende toelatingseisen om tot het gezelschap toe te treden. Het leren van - en het lenen uit het technische mandje van de totale muzikale canon van klassiek tot pop, van Bach tot Stevie Wonder, het hoort allemaal bij het tot stand komen van hun composities. Michael League is degene die de basiscomposities schrijft waarna de individuele leden hun eigen arrangementen maken. Daarna vloeit door interactie alles samen tot een nieuwe song die verder evolueert op de live podia. Het belangrijkste aspect van hun muzikale curriculum is het consequent combineren van invloeden van de vele genres. Elk individueel concert van Snarky Puppy bevat meer stijlen, maatwisselingen, polyritmiek en andere kunsten dan waar menig muzikant in zijn hele loopbaan mee te maken krijgt. Snarky Puppy is de optelsom van talent, vakmanschap, plezier, energie en het vloeiende gemak waarmee zij geweldige grooves combineren met het opzoeken van de grenzen van hun metier. Een fantastische chemie die zijn gelijke volgens mij niet kent.

Het duurde bij mij, als zeventienjarige, een paar maanden om ‘Bitches Brew’ te doorgronden. Maar opeens zag ik het licht, als ik het zo mag uitdrukken. Zo ging dat nog vele jaren door met allerlei andere muziek. Coltrane, Mahler, Hancock, Reich, het kostte gewoon de nodige tijd. Net als een muzikant kan een luisteraar zich ook ontwikkelen en daar kun je een leven lang zoet mee zijn. Bij Snarky Puppy viel bij mij het kwartje ook niet direct. Snarky werd 'ontdekt' en aanbevolen door mijn zoon en de zoon van vriend H. Aanvankelijk was ik gematigd enthousiast, maar op een gegeven moment ging ik helemaal om, net als papa H. Het is wel essentieel om Snarky's enorme energie, polyritmiek en vele stijl- en toonsoortwisselingen te leren waarderen. Zo niet, dan zal hun muziek zich presenteren als een onsamenhangende afwisseling van melodische lijnen en instrumentele uitwassen zonder kop of staart. Soms lees ik ook dat Snarky Puppy’s muziek te industrieel, te technisch is en te weinig bezieling kent. Dat zijn echt misvattingen. In dat verband dringt de analogie zich op met de muziek van Frank Zappa en Miles Davis’ elektrische periode. Maar dat is weer een ander verhaal.

Snarky Puppy is een volledig op samenwerking gerichte band die profiteert van de diversiteit van hun achtergronden, kennis en vakmanschap. Met name tijdens de liveoptredens onderscheiden zij zich door plezier in het spel, geweldige interactie en improvisatie en het genereren van een enorme positieve energie die hun publiek zonder uitzondering in extase brengt. De dynamiek door afwisseling van groove, schitterende solo's en muren van geluid kennen hun gelijke niet. Na afloop van een Snarky Puppy concert, heb ik al drie keer mogen ervaren, voel je je opgeladen en energiek en dat gevoel blijft dagenlang hangen. Wat een band!

Wat is voor mij, en waarschijnlijk de hele fanbase, de essentie van Snarky Puppy? Voor introspectie ben je bij hen aan het verkeerde adres, dat zal duidelijk zijn. Nee, de bezieling van Snarky Puppy 's muziek is mijns inziens ingebed in ander elementen. Wat mij betreft zijn dat prikkeling en uitdaging van de zintuigen, een boost van positieve energie, intens muzikaal plezier, hernieuwd vertrouwen in de jeugd, de mensheid en de toekomst. Het zijn gevoelens die juist in deze tijd buitengewoon welkom en zelfs troostend zijn. Sic factum est!

Ik wil nog wel een belangrijke nuance aanbrengen. Snarky Puppy is in mijn ogen primair een band die op het podium tot volle wasdom komt. Ze hebben best een aantal goede studioalbums gemaakt, maar ook de nodige die, vind ik, saai zijn en werktuiglijk. De positieve energie en bezieling die ik benoem haal ik vooral uit concertbezoeken en concertregistraties.

Wat betreft ‘Live at The Royal Albert Hall’ ben ik snel klaar. Het is een fantastisch concert en audiofiel grensverleggend geregistreerd en geproduceerd. Het openingsnummer ‘Even Us’ vormt een verpletterende entree. De toon is gezet. Het niveau blijft de rest van het concert torenhoog en eindeloos avontuurlijk. Ik pik er nog het nummer ‘Bigly Strictness’ uit. Leuke titel overigens. De basis wordt gelegd door de drummer in de vorm van een mars, een cadans waarover in de eerste helft van het nummer alle muzikanten tegelijkertijd of afwisselend hun ding doen. Samenspel en solo's wisselen elkaar af of lopen door elkaar heen en vloeien weer samen. De drummer houdt het ritme met militaire strengheid vast en dan valt de muziek bijna stil. Op de achtergrond klinkt de cadans nog zachtjes door terwijl Mark Lettieri tenslotte met een gave solo en een crescendo spelende band het nummer naar het einde brengt. Een schitterende tour de force, moddervet en totaal origineel.

'London Jazz News' schrijft over het concert: “As the room sat in darkness, a solo guitar started with a beautifully simple mournful melody, soon joined one-by-one by the rest of the band. Before long, an epic feast for the senses had built up. Each composition moved through this mellow simplicity to raucous cacophony again and again, and though it seemed formulaic at times, each groove was different and each soloist brought something new to the music.”  Duidelijke taal lijkt mij.


Nog even een tip. Sinds enige tijd heb ik een professionele Roland studio headphone. ‘Live at The Royal Albert Hall’ heb ik daar op volle kracht op geluisterd. Als het even kan moet deze muziek keihard worden beluisterd anders gaat de stuwende energie verloren. Mochten tijdstip, buren of WAF (Wife Acceptance Factor) roet in dat eten gooien, luister dan beslist met een goede headset.


Bill Laurance - piano
Bob Reynolds - saxophone
Bobby Sparks - keyboards
Chris Bullock - tenor sax, flute, and alto flute
Jason "JT" Thomas - drums
Justin Stanton - trumpet and keyboards
Keita Ogawa - percussion
Mark Lettieri - guitar
Michael League - bass
Mike "Maz" Maher - trumpet and flugelhorn
Shaun Martin - keyboards
Zach Brock - violin


woensdag 19 februari 2020

KUNSTMUSEUM DEN HAAG – BREITNER VS ISRAËLS

‘De Nachtwacht’, dat is toch wel een werkstuk van formaat en dan bedoel ik natuurlijk niet alleen de afmetingen. Wij waren ooit in de unieke gelegenheid om het meesterwerk van Rembrandt samen te bekijken zonder dat er iemand anders in de nabijheid was, behalve een suppoost. Hoe dat kwam heb ik beschreven in mijn blog VANITAS... Het was een bijzondere avond die we nooit meer vergeten. In hetzelfde blog ben ik nogal ‘relativerend’ over de waarde van museumbezoek. Het was best gemeend wat ik schreef, maar ook wel een beetje met een knipoog bedoeld. Want, op de keper beschouwd, komen we toch wel met enige regelmaat en veel plezier in diverse paleizen van cultuur van uiteenlopende aard. J. heeft nota bene een Museumjaarkaart en was onlangs nog op bezoek in het vernieuwde Naturalis. Ze was daar samen met mijn zus en ze vonden het helemaal geweldig. Om vijf uur werden de dames met lichte dwang het gebouw uitgebonjourd. Afgelopen jaar hebben we diverse musea bezocht, niet allemaal even interessant uiteraard, maar het ‘Museo Enzo Ferrari’ in Modena was een hoogtepunt. In 2012 geopend en voor liefhebbers van architectuur- en (auto-) historie een aanbeveling. Het valt dus eigenlijk wel mee met ons museumbezoek.



Gisteren, het weer was echt waardeloos, besloten we de zondag te verrijken met een culturele activiteit en reden door regen en wind naar het ‘Kunstmuseum in Den Haag’. Tot voor kort bekend als ‘Gemeentemuseum Den Haag’. Het behoort beslist tot de mooiste musea van Nederland, van binnen maar ook van buiten. Het gebouw, ontworpen door Berlage en geopend in 1935, is op zich al een kunstwerk. Het museum werd vorig jaar hernoemd omdat veel te weinig mensen het kende. Men hoopt met de nieuwe naam meer bezoekers te trekken want er kwamen te vaak mensen aan de deur om te vragen waar ze hun rijbewijs konden verlengen 😂 Het Fotomuseum Den Haag is een losstaand gebouw naast het Kunstmuseum maar is er wel een onderdeel van. Daar moeten we ook nog eens naar toe. Het Kunstmuseum is een juweel. Je mond valt met enige regelmaat open. Vanwege de collectie maar ook vanwege de architectuur, inrichting en aankleding. 


Het museum heeft een collectie die vooral gericht is op moderne kunst. Met name haar Mondriaan collectie is van belang. Het wereldberoemde ‘Victory Boogie Woogie’ hangt hier ook. Dat wist ik niet. Toen ik de historie er ter plekke even over opzocht herinnerden wij ons allebei de commotie weer. De Nederlandse regering had het werk in 1997 voor 82 miljoen gulden van de toenmalige eigenaar in New York gekocht. Best veel publieke centjes voor een schilderij wat niet eens af is. Dat viel dus niet bij iedereen in goede aarde.


Het eerste deel van onze wandeling door het museum was een kennismaking met de vaste collectie en twee tijdelijke. Na een uur was het wel tijd voor een bakkie met een ‘punt’, zoals ik dat pleeg te noemen. Mijn punt was deze reis alleen rond. Een citroen meringue van patisserie Dudok. Niet normaal, wat was dat lekker. Het perfecte taartje! 'Een boterdeegbodem met daarop een citroencoulis met luchtige Zwitserse room en afgewerkt met licht gebrand Italiaans schuim', zoals Dudok het kunstwerkje beschrijft op hun website. Het taartje was het bezoek alleen al waard.


Vervolgens bezochten we de tijdelijke tentoonstelling ‘Breitner vs Israëls – Vrienden en rivalen’, het was de belangrijkste aanleiding om juist naar dit museum te gaan. Ik ben een ‘sucker’ voor het werk van oude meesters. Zij leerden een ambacht als autodidact of binnen een gilde en maakten zich alle basisvaardigheden eigen zoals prepareren van het doek, materialenkennis, kleurenleer, anatomie, perspectief, proporties, vlakverdeling, kunstgeschiedenis, enzovoort. Deze noodzakelijke beheersing van het ambacht was eigen aan alle schilders tot in het begin van de 20e eeuw. Het gold zeker voor de schilders van de Haagse School en, daarna, de Amsterdamse Impressionisten, zoals Isaac Israëls en George Hendrik Breitner. Ik kwam vandaag dus goed aan mijn trekken!


De verkenningen in de schilderkunst in de 19e en 20e eeuw, de weg naar abstractie en andere vormen van visuele communicatie is fascinerend. Piet Mondriaan is een prachtig voorbeeld. Een schilder die zich ontwikkelde van realisme en impressionisme naar neoplasticist, zoals het non-figuratieve werk van hem en zijn stijlgenoten (groep ‘De Stijl’) werd genoemd. Zijn ambacht is natuurlijk niet af te lezen aan geometrische patronen en gekleurde vakjes, maar daar ging het uiteindelijk ook niet meer om. Maar reken maar dat hij zijn vak beheerste. Moderne schilderkunst ontbeert het vaak (niet altijd!) gewoon aan basaal vakmanschap, belang en artistiek momentum. Enkele jaren geleden werden in een galerie in de wijk Soho in Manhattan, bij wijze van grap, schilderijen van kleuters gehangen tussen werken van professionele schilders van de moderne school. Geen bezoeker die het zag… Overigens, met een beetje goeie marketing kom je ook een heel eind. Het onderstaande 'meesterwerk' is in januari dit jaar geveild bij Sotheby’s in Londen voor $ 686.045,-. Ik bedoel maar. Ik houd het er maar op dat smaken verschillen.


Terug naar de tentoonstelling. Beslist één van de beste en mooiste collecties die we ooit hebben bezocht. “Haagse School toch?” als je de naam Isaac Israëls laat vallen. Nee dus. Dat was zijn beroemde en succesvolle vader Jozef. Zoonlief was van een generatie later, zoals ik hiervoor schreef, van de Amsterdamse School, ook wel de ‘Tachtigers’ genoemd. Het gaat hier te ver om context en historie uit de doeken te doen. Op het web is er van alles over te lezen en terug te vinden, maar ik verwijs ook graag naar de briljante website van het museum. Daar is op zich al ontzettend veel interessants te vinden, maar met name de toelichting op de tentoonstelling is erg boeiend.

Het Kunstmuseum heeft ervoor gekozen om de werken van beide kunstenaars in vijf verschillende stadia te verdelen. Vijf chronologische perioden van hun leven waarbinnen het werk van de schilders wordt getoond. Zoals de titel van de tentoonstelling al suggereert, gaat het om een artistieke bokswedstrijd. Israëls en Breitner waren vrienden én rivalen en inspireerden elkaar uiteindelijk tot grote hoogten.


Maar, ik wil hier vooral mijn enthousiasme delen over het schilderij ‘Het transport der kolonialen’ van Isaac Israëls. We kuierden ieder op ons eigen tempo door de verschillende stadia van de tentoonstelling. Ik liep even alleen en genoot van het werk van beide schilders, maar toen ik het ‘transport’ zag viel mijn mond echt open. Ongelofelijk! Het werk, olieverf op doek en geschilderd in de jaren 1883 en 1884, meet 3 meter bij 1,60 meter en maakt dus al indruk door het formaat.


Het doek is een onderdeel van de vaste collectie van het ‘Kröller Müller’ museum. Ik ben zo vrij geweest een deel van de tekst van hun website over dit werk te citeren:

“In de tweede helft van de 19de eeuw vertrekken ruim 70.000 militairen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Nederlands-Indië. Deze lichting KNIL-militairen loopt over de Koningsbrug in Rotterdam om zich in te schepen voor de reis. De vrouw met het kind aan de hand die afscheid neemt van haar man verleent de voorstelling wel dramatiek, maar toch gaat het Isaac Israëls meer om een objectieve weergave dan om een gevoel los te maken.”

Vanwege de relatieve rust, het was bijna sluitingstijd, heb ik op een bankje voor het schilderij zeker een kwartier ademloos zitten kijken. Op het bordje naast het schilderij las ik dat het van 1884 is. Toen was Isaac 18 jaar! Nog een keer gelezen. Ja, het klopte toch echt. Welke schilder in de historie kon op deze leeftijd zoiets maken? Echt ongelofelijk. J. opgezocht. Ze was ergens anders, maar ik was onverbiddelijk; ze moest van mij terug om naar het schilderij te kijken wat ze blijkbaar gemist had. Haar reactie was precies hetzelfde. “Wat een meesterwerk”.


Het bijzondere van dit schilderij is dat het eigenlijk fotografisch is, een bevroren moment. Ik lees dat Isaac een groot aantal oefeningen en voorstudies had gedaan van de omgeving voor dit schilderij. In zijn schetsboeken zijn bij voorbeeld de schoorstenen aan de Leuvenhaven en de leeuwenkoppen op de brug terug te vinden met kleurnotities en al. Maar die mensen? Hoe kon Israëls in vredesnaam al die personen zo natuurgetrouw weergeven zonder ze eerst in een studio te hebben geschetst? Een raadsel. De gezichten zijn authentiek en ‘in het moment’ wat het werk volledig geloofwaardig maakt. Het is een kille en natte herfstdag zo te zien. Let eens op alle rode neuzen en oren. Het rijke contrast en afvallende licht in de verte geven het werk een enorme diepte en dynamiek. Je kunt bijna op de meter af inschatten hoe ver de panden aan de overkant van de gracht zijn verwijderd van het standpunt. Briljant! Enfin, misschien was het werk voor zijn tijd te traditioneel en zat men meer te wachten op vernieuwing. Eerlijk gezegd vind ik de stijl al aardig los en impressionistisch. Maar, als ik wat op internet zoek dan vind ik weinig ophef over dit schilderij, wat het onzes inziens wel verdient. Sterker, met dit waanzinnig mooie kunstwerk verdient Isaac Israëls wat ons betreft een plaatsje, misschien niet tussen, maar zeker naast de grote Nederlandse meesters. Ik zou zeggen, ga beslist eens kijken en vorm zelf een mening. Het is zeker geen verloren tijd en… vergeet het taartje niet!

Ik heb wat foto’s gemaakt met mijn telefoon van ons bezoek. Hier een impressie: KUNSTMUSEUM DEN HAAG 2020