zondag 27 oktober 2019

CHET BAKER - DIANE

Alhoewel mijn verzameling Chet Baker albums beperkt is, had ik al heel vroeg een elpee waar deze Amerikaanse trompettist op speelde. Het was het Carnegie Hall Concert met saxofonist Gerry Mulligan uit 1974, volume 2 (label CTI). Ik moest er aan denken toen wij, ons gezinnetje, een paar jaar geleden in die concertzaal op bezoek waren. We waren eerst naar de prachtige ‘Steinway Hall’ geweest, waar onze zoon Stijn onder andere mocht spelen op de duurste vleugel die Steinway ooit heeft gebouwd. Een ongelofelijke leuke en unieke ervaring was dat. 


Steinway & Sons zagen ooit zakelijke voordelen van een pianoshowroom in de buurt van Carnegie Hall, nagenoeg aan de overkant van de straat. De opening was op 27 oktober 1925, met een optreden van Willem Mengelberg en 35 muzikanten uit de New York Philharmonic. Een bijzondere plek dus, waar Vladimir Horowitz en Sergei Rachmaninoff ooit speelden, John Lennon kind aan huis was, het eerste klassieke optreden via internet werd uitgezonden én onze zoon een paar riedeltjes mocht spelen😊. Helaas is het schitterende pand verkocht en zijn er appartementen in gemaakt. Steinway is verhuisd naar Sixth Avenue en de showroom is nu hypermodern. Toen wij er waren was dat gelukkig nog niet zover. Zie ook mijn blog van destijds.

Uiteraard was het logische vervolg van ons piano-avontuur een bezoekje aan Carnegie Hall, twee minuten lopen vanaf Steinway, op de hoek van 57th street en 7th Avenue. De Carnegie Hall is in gebruik sinds 1891 en is een concertzaal van wereldfaam waar ontelbaar veel beroemdheden hun muzikale kunsten hebben vertoond. Het is geen Concertgebouw, Boston Symphony Hall of Musikverein in Wenen, maar Carnegie Hall behoort nog altijd tot één van de beste concertzalen ter wereld. Althans, dat is wat ik op internet lees. Zoals gezegd moest ik hier natuurlijk denken aan die oude LP van Mulligan & Baker met het beroemde concert uit 1974 en die rare knalgele hoes. Een ‘blast from the past’ op bijna heilige grond.



Alhoewel deze blog niet gewijd is aan Chet Baker, maar aan slechts één van zijn albums, zijn een paar biografische regels op zijn plaats. Chet werd in 1929 geboren in Oklahoma. Zijn ouders waren van Ierse origine. Hij groeide op in een muzikaal gezin en leerde zingen en trompet spelen in de kerk. Dat kon ook bijna niet anders, daar midden in de 'Bible Belt'. Het hele levensverhaal is te lezen in een biografie geschreven door de Nederlander Jeroen de Valk: ‘Chet Baker, his life and music (Aspekt)’. Het is geen vrolijk verhaal. Ondanks successen met zijn eigen kwartet en, onder andere, het Gerry Mulligan Quartet en pianist Russ Freeman, is het een lange opsomming van ellende. Baker gebruikte al heroïne vanaf begin jaren vijftig en bleef zijn leven lang verslaafd. Dat leven werd een aaneenschakeling van drugsgerelateerde delicten, gevangenisstraffen, vechtpartijen en op een gegeven moment was Baker zelfs niet langer welkom in Duitsland en Engeland. Hij zonk soms zo diep dat hij meerdere malen zijn muziekinstrumenten (trompet en bugel) verpandde om drugs te kopen. In de nacht van 13 mei 1988, hij was toen 58 jaar oud, viel hij uit een raam van Hotel Prins Hendrik in Amsterdam en overleed ter plekke. Heroïne en cocaïne werden in zijn kamer en in zijn lichaam gevonden. Er bestaan diverse verhalen van wat er zou zijn gebeurd. Deze vond ik op internet en lijkt plausibel: How Chet Baker Really Died. Maar helemaal zeker zullen we het nooit weten. Een triest einde van een fantastische muzikant. Hieronder een foto van de gedenkplaat van Chet aan de gevel van het bewuste hotel aan de Prins Hendrikkade 52 in Amsterdam.


Het trompetspel van Chet Baker wordt vaak beschreven als warm, beheerst en melancholiek en daar ben ik het volledig mee eens. Ik ken zijn discografie niet bijzonder goed, maar sinds ik ‘stream’ heb ik toegang tot nagenoeg alles wat er aan muziek door de mensheid is vastgelegd. Het is voor mij een nieuwe ervaring om te surfen op een oceaan van muziek van goede kwaliteit die voor mij, tot voor kort, alleen toegankelijk was door het aanschaffen van CD's, downloads of luisteren bij vrienden. Ik ben wel wat ambivalent over deze consumptieve 'fast food' benadering van muziek. Ik voel mij bijna schuldig als ik kijk naar die kasten vol met een halve eeuw aan verzamelde platen en compact discs. Wat een geld, passie en liefde daar in is gestoken... Maar goed, dat is weer een ander chapiter. Feit is dat nagenoeg alle muziek die er bestaat hapklaar voor je wordt geserveerd en dat is, eerlijk is eerlijk, wel weer erg prettig. Ik heb in de loop van de tijd regelmatig gezocht naar volume 1 van het eerder genoemde Carnegie - Mulligan/Baker concert maar heb het fysieke album nooit kunnen vinden. 


Vorige week kwam ik Chet dus 'tegen' en besloot weer eens te zoeken naar Volume 1. Dit keer op een streamingdienst. Het concert staat tegenwoordig op één album en binnen een paar minuten was mijn queeste van jaren opgelost. Tijdens het zoeken stuitte ik ook op een album wat ik niet kende. ‘Diane’, een album uit 1985 uitgebracht op SteepleChase, een Deens label.


In de jaren voor zijn dood heeft Baker veel muziek opgenomen lees ik ergens op een website. ‘Diane’, blijkt één van de beste albums uit die tijd te zijn zo schreven recensenten. De moeite waard om dat eens te onderzoeken en met een paar tikken op het toetsenbord van mijn computer toverde ik de muziek uit mijn speakers. Het is een album met alleen Chet op trompet (en een paar regels zang in het tweede nummer) en de legendarische Paul Bley op piano. Bley was een gerenommeerd pianist uit de freejazz en die is op 'Diane' behoorlijk buiten zijn comfortzone getreden. Een duo, dat lijkt erg ‘zunig’, maar het album is muzikaal rijk en volledig en boeit van het begin tot het einde. Chet's spel is introspectief en bijna minimalistisch. Het samenspel is beheerst en prachtig in balans en zo mooi dat er ik er soms een brok van in mijn keel krijg. Hoezo melancholiek?


De meeste nummers op 'Diane' zijn jazz standards en dat is in deze samenstelling een zeer goede keuze geweest. Wat een geweldige muziek en voor mij de reden om deze blog bij wijze van lofzang te schrijven. De opname is prachtig, de hoes een misbaksel. Maar daar hebben 'wij streamers' geen last meer van...

Als autoliefhebber kijk ik graag naar Youtube filmpjes met autotests. Mijn favoriet is ‘Carwow’ gepresenteerd door Mat Watson. Zijn snedige testfilmpjes sluit hij standaard af met de vraag: "Should I avoid it? Should I consider it? Should I shortlist it? … Or should I just buy it?". Dan volgt zijn advies uit één van de vier opties.


Een duidelijke en zeer werkzame manier om een test af te sluiten. Je kan die systematiek natuurlijk voor alles en nog wat gebruiken. Films, boeken, tentoonstellingen, noem het maar op. Natuurlijk ook voor muziek. Ik denk dat ik voortaan Watson's systeem maar eens ga toepassen. In het geval van Chet Baker’s ‘Diane’ zou ik zeggen: ‘Go ahead and just buy it’. Streamen kan natuurlijk ook. Een ‘must have’, want deze muziek is echt hemels.



zaterdag 12 oktober 2019

2019 - DEO VOLENTE

Zo, dat is een tijd geleden. Mijn eerste blog dit jaar. Ik beschouw mijzelf, heel onbescheiden, als een schrijver. In ieder geval kwantitatief. 'Wij schrijvers' schrijven pas als we inspiratie hebben en die kan soms wel eens een tijdje uitblijven. Dit jaar duurde dat wel erg lang. Meestal ben ik er als de kippen bij om ervaringen met vakanties, concerten, ‘life events’ en dergelijke te delen. Maar ik had er het afgelopen jaar weinig zin in. Het was een waar slagveld in de vriendenkring in meerdere opzichten en het verwerken van tragische gebeurtenissen stimuleerde de creativiteit en de zin in schrijven blijkbaar niet. 

Mijn blogs fungeren voor mij ook als dagboek en ik merk dat ik dit jaar een leemte heb gecreëerd. Dat voelt toch een beetje kaal. Het was dit jaar zeker niet allemaal ach en wee, maar zin en inspiratie heb je niet echt in de hand. We zijn weer wat verder in de tijd en recentelijk heb ik weer momenten dat er af en toe iets opborrelt waarvan ik vind dat ik er iets over moet schrijven. Misschien schrijf ik op enig blog-moment nog wel een retrospectief. Enfin, ik kijk wel. 

Voor nu wil ik wel mijn meest ingrijpende gebeurtenis van dit jaar memoreren en delen en dat is het verlies van vriend Robert. Wij kenden elkaar 55 jaar, vanaf ons 5e, 6e levensjaar. Lief en leed hebben wij door de jaren heen gedeeld. Met wisselende frequentie en in uiteenlopende hoedanigheden en omstandigheden. Ik denk aan het spelen op straat, de familie- en fietsvakanties, uit ons dak gaan met de muziek van Frank Zappa, het uitgaansleven met onze vriendenkring tot en met de jaarlijkse 'Haringparty' bij Robert thuis. In zijn rol als zwager is Robert zelfs vele jaren familie geweest waardoor wij elkaar een paar jaar lang zeer frequent zagen in verband met omstandigheden waar ik nu niet verder op in ga. Misschien zal ik nog eens iets meer over onze historie schrijven. Hieronder een foto van de vriendjes van het eerste uur (ik ben degene met die mooie bril), ergens begin jaren zestig in de tuin van Robert's ouderlijk huis.


Robert was een zeer aimabele man. Een 100% loyale en onvoorwaardelijke vriend met oprechte interesse in de ander. Hij was een meester in het bewaren van de intermenselijke cohesie, een geweldige gastheer en bovendien een levensgenieter van de bovenste plank waar hij ons zo vaak als mogelijk deelgenoot van maakte. In november vorig jaar ging hij met vervroegd pensioen bij Dupont, ‘de kumpenie’, zoals hij hen noemde. Hij was er een beetje dubbel onder. Enerzijds natuurlijk fijn dat het er op zat en de tijd aanbrak voor reizen en andere mooie dingen, anderzijds zou hij zijn werk en collega's gaan missen die hij als vrienden beschouwde.


In december vertrok Robert naar India voor zijn jaarlijkse overwintering. Hij voelde zich daar al snel niet optimaal en besloot voortijdig naar Nederland terug te keren. Na medisch onderzoek, nauwelijks twee maanden na zijn pensionering, werden er door zijn hele lichaam agressieve tumoren ontdekt. Zijn vonnis was getekend. Robert koos er zelf voor de volledige ontmenselijking naar het einde niet af te wachten. Op 29 maart van dit jaar nam hij, onder begeleiding van een euthanasie arts en in het bijzijn van zijn familie, afscheid van het leven waar hij zo intens van had genoten. We missen hem allemaal, elke dag.

DirobertO


3 augustus 1956 - 29 maart 2019



zondag 2 december 2018

LONDON CALLING

Wanneer ben ik nou eigenlijk voor het laatst in Londen geweest? Het is eigenlijk te gek voor woorden, maar dat was in oktober 1987. Eén-en-dertig-jaar geleden. J. en ik kenden elkaar net en ik wist haar te verleiden voor een reisje naar de Britse hoofdstad. Ze had mij niets verteld van haar vliegangst, maar daar kwam ik snel achter. Ze trilde als een espenblad toen de banden van onze vliegmachine zich losmaakten van de startbaan. Ze kneep mijn hand bijna fijn, maar ze hield zich kranig en gelukkig is haar angst behoorlijk gesleten door de jaren heen. ‘Practice makes perfect’. Het werd een geweldig leuke week. Het was natuurlijk ook spannend. Hoe gaat dat allemaal als je samen voor het eerst 24/7 op elkaars lip zit?  Nou, dat ging uitstekend want we zijn nog steeds een ‘happy couple’ en, met name op reis, een perfect geolied machientje. Londen was natuurlijk geweldig. In de eerste nacht kreeg de stad een najaarsstorm te verwerken van historische proporties. Een zogenaamde ‘extra-tropische cycloon’ trok over Engeland en een deel van Frankrijk. Het haalde de geschiedenisboekjes als ‘The Great Storm of 1987’. De volgende dag bleek Londen bezaaid met omgewaaide bomen, afgebroken takken en beschadigde auto's. De ravage was op sommige plekken enorm. We vermaakten ons echter uitstekend die week, Londen in puin of niet. Vermakelijk vond ik J.’s totale afwezigheid voor richtingsgevoel. Als we het metrostation vlak bij ons hotel uitliepen liet ik haar telkens met opzet een paar stapjes voor mij uit lopen. Het hotel was linksaf als we de metro uitkwamen, maar J. sloeg steevast rechts af. Haha. (Opmerkelijk is dat J. tegenwoordig vaak scherper is met de oriëntatie dan ik.) We moesten ook erg lachen toen we op enig moment de Underground uitkwamen bij Westminster Station. We hadden uitgezocht dat de juiste uitgang Bridge Street moest zijn om bij de de Big Ben te komen. We liepen de straat op en keken links en keken rechts… Geen spoor van de Big Ben te bekennen. Vreemd. Na een paar tellen van verwarring stoot J. mij aan en zegt “kijk eens omhoog”. De stoere klokkentoren torende loodrecht en pal voor onze neus richting de hemel. We stonden er gewoon te dicht op. 


Ons hotel had de storm overleefd. Het was van het typische shabby soort zoals je ze toen overal in Engeland tegen kwam. Morsige vloerbedekking, achterstallig verfwerk, bloemetjesbehang, slecht hang- en sluitwerk, de weeïge geur van ‘full English breakfast’ en overal te koud. Voor het toilet moesten we drie verdiepingen naar beneden. Het maakte ons allemaal niet uit. Het was een topweek maar dat ik in Londen wéér in onvoorstelbare weersomstandigheden terecht was gekomen was wel heel erg toevallig…

Mijn eerste reisje naar Londen was in 1979. Met vriend R. Tijdens de overtocht van Hoek van Holland naar Harwich, op 2 januari, kwamen we in een ‘Polar Low’ terecht, een extreem laag drukgebied. Het is een zeer zeldzaam verschijnsel boven de Noordzee en op de bewuste dag totaal onverwacht. Ik dacht dat ik dit al eens in een blog had beschreven, maar ik kan het niet vinden, dus dat zal dan wel niet. Onze veerboot werd overvallen door een orkaan zoals men zelden boven de Noordzee had waargenomen. Onze Ferry was daar niet voor gebouwd, geen enkel schip eigenlijk. Het was werkelijk zeer angstig en ik was op bepaalde momenten oprecht onzeker of we het na zouden kunnen vertellen. Maar, ‘hey, here we are’.

Behalve de storm, werd Noordwest-Europa in januari en februari van 1979 geteisterd door één van de meest extreme winters van de eeuw. In Engeland was het een stuk minder heftig, maar wel overal ijskoud. Het deed niets af aan het plezier wat we die week hadden. Groot-Brittannië was destijds nog ondergedompeld in een soort naoorlogse crisis. Sinds W.O II was het alleen maar ‘down hill’ gegaan met de Britse economie, ondanks het toetreden tot de EEG in 1973. Pas begin jaren tachtig zette het herstel eindelijk goed door, voor een belangrijk deel ook omdat toen de exploitatie van Noordzee-olie goed op gang kwam. Maar 40 jaar geleden was het Britse koninkrijk nog een armoedig zootje met een, weliswaar groeiende, maar nog broze economie en hoge werkeloosheid. Het land hing met touwtjes aan elkaar. In Londen hadden ze nog nooit van stadsvernieuwing gehoord en het was, buiten het centrum, gewoon een gruizige en vervallen stad. Ik herinner mij nog levendig onze ijzige wandeling door de stegen en straten ten zuiden van Tower Bridge, vlak voor zonsondergang. Een hele wijk vol met 19e-eeuwse grauwe pakhuizen, smalle en nattige 'cobblestone' straatjes en gaslichten aan de muren. Het leek wel of we in het decor van een Charles Dickens vertelling liepen.

Kortom, de eerste keer naar Londen bleek een boeiend en leuk uitstapje en we kwamen niet met lege handen thuis. Onze rugzakken zaten vol met boeken en elpees die in Nederland niet of moeilijk te vinden waren. Terug in Nederland moest ik vanaf het treinstation, letterlijk (!), kruipend naar huis. Er lag een laag ijzel van centimeters dik over het westen van Nederland. Er was geen auto te bekennen en men schaatste zelfs over straat. Bussen en taxi's reden uiteraard ook niet. Dat waren nog eens tijden. Nigel Calder voorspelde een nieuwe ijstijd en van CO2 en opwarming van de aarde had nog, bijna, geen mens gehoord.

Londen, vond ik, net als elke wereldstad, een fascinerend oord. Het is ronduit onbegrijpelijk dat ik er maar twee keer ben geweest. Iets meer dan een uur vliegen! Stijn, onze zoon, is helemaal gek van grote en dynamische steden. New York is zijn favoriet. Toen J. vorig jaar voorstelde om samen met zijn moeder een paar dagen naar Londen te gaan was hij wat terughoudend. Londen? Dat klonk hem vooral als saai in de oren. Bovendien altijd rotweer. Maar ze zijn gegaan en het was één groot feest. Ook der herkenning, want Londen bleek flitsend, vernieuwend, en dynamisch en wat hen betreft kon het de vergelijking met ‘The Big Apple’ prima doorstaan.

De foto hierna is door J. aan de Thames gemaakt. 'The Shard' aan de overkant is één van de nieuwe en beeldbepalende 'Landmarks' van de stad.


Londen heeft deze eeuw een nieuw gezicht gekregen. Opgeknapt, gerestaureerd, vernieuwd, moderne architectuur, High Risers, financieel centrum van Europa en een culturele dynamiek die niet onder doet voor die van New York. Het gevoel dat het ‘hier gebeurt’, hing gewoon in de lucht en Stijn was helemaal om. ‘London is the place for me’. Hoe kan het gebeuren dat ik nooit meer ben geweest? Nou ja, hoog tijd dus.

Als je zegt dat je, onder andere, van jazz houdt, dan denken leken aan wat oubollige combootjes of hebben associaties met muziek uit vervlogen tijden zoals Louis Armstrong, Duke Ellington en dergelijke. Of, erger, Dixieland. (‘Dixie’ is de verkeerde term voor de eerste jazz uit New Orleans. Dixie refereert aan de zuidelijk staten, een racistisch bolwerk. Dixieland was en is simplistische muziek voor en, vaak, door blanken). Jazz had en heeft echter vele gezichten en is vooral de laatste decennia ontwikkeld tot een vergaarbak van allerlei stijlen. Ik heb daar geen problemen mee. Echter, voor mij persoonlijk staat jazz nog steeds voor ‘vrije’ en vaak geïmproviseerde muziek die haar wortels herkenbaar in de katoenvelden heeft staan. Zonder ritme en groove geen jazz wat mij betreft. Ik houd nu eenmaal van het ‘heart beat’ ritme. Af en toe denk ik wel eens dat ik een gereïncarneerde katoenplukker uit Louisiana ben ofzo. Een echte 'Groove Master'? Marcus Miller!


Voor mooie en goede ‘andere’ jazzmuziek zijn die ritmische elementen niet noodzakelijk, maar dan noem ik het liever anders. Maar ach, ’what’s in a name’? Jazz ontwikkelde zich aan de andere kant van de oceaan en, vanaf de jaren vijftig, ook in Europa. Het oude werelddeel omarmde de nieuwe muziek en elk land had zijn ‘scene’ met eigen interpretaties, stijlen en sferen. Engeland was, samen met de Verenigde Staten, de bakermat van de popmuziek, maar bleef toch altijd een beetje achter op jazz-gebied. Crossovers zoals Soft Machine, Brand-X en coryfeeën als John Mayall en John McLaughlin deden wel degelijk een stevige duit in het Britse jazz-zakje. Maar de Engelse jazz-mainstream, als die al bestond, werd volledig overschaduwd door de Amerikaanse. Albion was toch vooral het land van Cliff Richard, Beatles, Stones en Oasis. Maar die dagen zijn voorbij want in de UK, en Londen in het bijzonder, daar gebeurt het! Daar moet je heen: London (is) Calling!

Onlangs hoorde ik een item op de radio over een verschijnsel dat zo rond het zestigste levensjaar de kop opsteekt. Het heet de ‘reminiscentiehobbel’. Herinneringen uit de periode in de leeftijd van 15 tot 25 jaar krijgen geleidelijk aan voorrang op recentere ervaringen. Het gaat dan met name om gebeurtenissen die men toen voor het eerst mee maakte. Denk aan het eerste live concert, het eerste vriendje of vriendinnetje, bijzondere gebeurtenissen op school, de eerste keer auto rijden, avonturen met uitgaan, militaire dienst, enzovoort. Ik heb er even op ge-Googled. Het is geen nieuw fenomeen want het werd al lang geleden beschreven door de beroemde neuroloog Oliver Sachs. Zeer interessante materie. In tegenstelling tot wat men denkt kun je het brein en geheugen niet beschermen tegen veroudering door training. De geleidelijke neergang is onontkoombaar met het groeien der jaren. Het verschilt per individu uiteraard. Maar, daarentegen, de effecten van de reminiscentiehobbel zijn wél enigszins beïnvloedbaar. De hobbel speelt minder heftig op bij ouderen die vaker of nog steeds ‘eerste ervaringen’ hebben zoals iedereen die in hun jeugd had. Denk, in het geval van ouderen, aan emigratie, verhuizen en nieuwe banen. Nou, als ik dat laatste in ogenschouw neem zit ik wel goed. Hieronder mijn CV in tabel formaat. Onleesbaar gemaakt omdat ik het anonieme karakter van mijn blog wil bewaken. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar er staan 31 dienstbetrekkingen en 40 verschillende werklocaties op het overzicht.


Iedere nieuwe baan is altijd weer een heftige ervaring. Nieuwe locatie, nieuwe collega’s, nieuwe werkplek, nieuwe methodieken, nieuwe sferen en iedere keer weer de uitdaging om ‘in te blenden’ en je te bewijzen. Misschien dat ik vanwege die tombola aan banen en herhalende ‘eerste herinneringen’ minder last van ‘de hobbel’ heb en wat minder hang aan die herinneringen van weleer. Ik denk natuurlijk met veel plezier (en nostalgie) terug aan mijn en onze jonge jaren, maar iets minder dan generatiegenoten, merk ik. Op mijn huidige werk ben ik omringd door leeftijdgenoten en het valt mij enorm op hoe vaak zij gebeurtenissen uit het verleden oprakelen. Ieder weekend gaat er wel iemand naar een concert van rockers van ‘toen’ die met hun zeventigste nog met hun gitaren staan te zwaaien. Daar heb ik absoluut geen behoefte aan. Ik heb eerder het tegenovergestelde. Ik wil hier beslist geen 'kijk mij eens jong van geest te zijn' verhaal van maken, maar het is zoals het is. Met grote regelmaat, geholpen door mijn zoon, zoek ik op Youtube of andere media naar nieuwe en frisse muziek. Ik denk dat we een bruggetje hebben…

In april dit jaar verscheen er een artikel in The Guardian: “The British jazz explosion: meet the musicians rewriting the rulebook”. Een interessant stuk met interviews met de nieuwe en jonge Jazzmuzikanten, voornamelijk uit Londen. De Britse hoofdstad blijkt een geweldige voedingsbodem te bieden voor de nieuwe muziek. Het heeft alles te maken met de mengelmoes aan etnische achtergronden en de herontdekking én herwaardering van grote Amerikaanse muzikanten uit de vorige eeuw zoals John Coltrane, Ornette Coleman en anderen. Het artikel bevestigde wat ik al een tijdje meende waar te nemen: er bleek de laatste paar jaar een hele stroom aan nieuwe, eerlijke, frisse muziek uit de UK te komen die inmiddels wereldwijd de aandacht trekt. Men spreekt in het artikel zelfs over ‘The British invasion’.


Het gezaghebbende Amerikaanse ‘Allaboutjazz’ vroeg zich onlangs af of er iets in het drinkwater zit in Londen, Manchester en andere steden. Zoveel nieuw en geweldig talent bestormt er, ogenschijnlijk uit het niets, de podia van Engelse clubs en concertzaaltjes. Bij tijd en wijle is het geweldige muziek met respect voor traditie en lef om nieuwe invloeden te incorporeren en te verkennen. Muziek met invloeden van alle genres, of het nu gaat om hiphop, soul, rock, afro, hard bop, modaal, free jazz of wat dan ook. Het schijnt dat zelfs Londense DJ’s er niet voor terugdeinzen om mixen te maken met daarin solo’s van Pharoah Sanders van 10 minuten. De eerste UK-artiest die mij de laatste jaren trof was trompettist Matthew Halsall. Die komt dan weer uit Manchester, maar dat zij hem vergeven. Fenomenale muziek waar John en Alice Coltrane’s geesten doorheen klinken. Ik schreef eerder over deze ‘ontdekking’. Daarna volgde vele anderen, voornamelijk uit Londen. Aan het Portico Quartet en nog wat andere Londense helden wijdde ik al eerder blogs. Zo zijn er veel, veel meer artiesten. Ik kom er straks op terug. Wat bij mij een enorme positieve emotie teweegbrengt is dat deze muziek wordt gemaakt, beleefd en beluisterd door een generatie van twintigers en dertigers. In het artikel schrijft men, heel vrij vertaald, onder andere: ‘De poortwachters van de elitaire jazz bestaan niet meer (..)  In deze nieuwe scene is niet iedereen klassiek of formeel geschoold en als gevolg daarvan is er een toegankelijkheid ontstaan tot muziek die voor iedereen zou moeten zijn en niet meer voorbehouden aan enkelen”. Heel goed, daar moeten we naar toe.


Eindelijk geen serieus kijkende 40-plussers meer, maar enthousiast publiek, ongevoelig voor de elitaire status van wat ooit het Europese jazz-publiek was en misschien wel wilde zijn. Youtube staat vol  met concerten, opgenomen in allerlei Londense ‘venues’, door jonge muzikanten en bijgewoond door een nieuwe generatie liefhebbers. Zoek het maar eens op en het is duidelijk wat ik bedoel. Ik ben zelf inmiddels een grijze ouwe lul, maar ik kan het niet onderdrukken: deze jeugd, deze vibe en positivisme geeft hoop en maakt mij oprecht blij. Het lijkt op de vernieuwing in de rock en jazz die wij zelf mee maakten in de jaren zeventig. Fantastisch was dat om bij te zijn en nu weer een beetje mee te maken. Al is het maar van de 'zijkant'.

Als je als Brits staatsburger even beter had nagedacht en wat had verdiept in de historie, dan had je ‘Remain’ gestemd bij het Brexit referendum in plaatse van ‘Leave’. Het pakte, totaal onverwacht, anders uit. De jongeren geloofden het wel en gingen nauwelijks stemmen. De oudere Britten, hopeloze chauvinisten, lieten de emoties prevaleren boven het verstand en het resultaat was dat iets meer dan de helft van de stemmen bepaalde dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie zou verlaten. Voor de volledigheid en voor de minder goed geïnformeerden: De Europese Unie is een economisch en politiek partnerschap waarbij op dit moment 28 Europese landen aangesloten zijn. De unie werd, na een lange voorgeschiedenis, in 1958 opgericht met als doel economische samenwerking te bevorderen. De belangrijkste gedachtegang was dat landen die samen handeldrijven geen oorlog voeren en op den duur een sterke eenheid zullen worden. Die doelstellingen zijn voor een belangrijk deel behaald en de EU is, naar men zegt, het veiligste werelddeel waar de welvaart het best is verdeeld. Eerlijk gezegd denk ik dat de Aussies nog beter af zijn, maar dat ter zijde.


De voorspellingen van de effecten van de Brexit zijn niet goed. Hard of zacht, als de vijfde economie van de wereld uit je clubje stapt gaat dat, hoe dan ook, grote veranderingen te weeg brengen. Overal. Er zijn alleen maar verliezers zo voorspelt men. Ik hoop oprecht dat de Britten een beetje stand weten te houden en dat de Brexit niet ten koste gaat van het huidige muzikale landschap in het Verenigd Koninkrijk. Want kunst en cultuur varen wel bij een gezonde economie en liberale politieke sfeer, zo werkt dat nu eenmaal. Dat ik hier even stil sta bij de Brexit vind ik relevant in de context van dit verhaal.

Muziek beschrijven is eigenlijk een beetje zinloos. Je moet het luisteren natuurlijk, zeker als we het over de nieuwe jazzmuziek hebben uit de UK. Op Spotify is inmiddels een playlist te vinden die, blijkbaar, steeds wisselt van samenstelling. Goed initiatief, maar ook wel lastig want erg willekeurig. Mijn suggestie is om gewoon wat meer van het oeuvre van een interessante band of artiest te bestuderen, dat werkt m.i. beter. Ik heb inmiddels zelf een compacte discotheek van de nieuwe Brit-jazz opgebouwd, uiteraard gebaseerd op mijn voorkeuren.


De nieuwe lichting muzikanten bedienen zich van een breed scala van stijlen en er is, denk ik, voor elk wat wils. Je moet natuurlijk wel houden van jazz, world en aanverwante stijlen, maar dat zal duidelijk zijn. Wat mij ook opvalt is dat de muzikanten over het algemeen zeer beheerst spelen, anders dan de leeftijd van de musici zou doen verwachten. Bravo! Ik deel hieronder een paar Youtube live opnamen. Het is een korte bloemlezing. Sla de filmpjes niet over, want behalve de muziek, is het ook zeer inspirerend deze nieuwe generatie muzikanten aan het werk te zien. Daar is het mij in deze blog ook voor een deel om te doen. Begin maar eens met de eerste, Nubya Garcia. Ik word ontzettend blij van die meid, haar enthousiasme en haar muziek. Nubya is pas is 26!












Hieronder een opsomming van de nieuwe lichting jazz-artiesten uit de UK die mij min of meer aanspreken. Er zijn er er nog veel meer. Ik heb er expres geen stijl of waardering bijgezet want, nogmaals, kijk vooral op Youtube en bepaal het zelf!  Voor de goede orde, het is natuurlijk echt niet allemaal briljant. Behalve stijlverschillen zijn er beslist ook kwaliteitsverschillen. Maar er zitten echte juweeltjes tussen. Het lijstje in willekeurige volgorde:

Ill considered – Tenderlonious - Ross McHenry - Yuseef Jamaal – Maisha - Nat Birchall - Moses Boyd - Alfa Mist – Joe Armon-Jones - Nubya Garcia - Kamaal Williams - Ashley Henry - Go Go Penguin - Ezra Collective – en er zijn er nog veel en veel meer!

Ik hoop dat ik door dit muzikale evangelie wat medestanders krijg. Ook onder de ouderen. Wat zeg ik? Vooral onder ouderen, want blijf u verwonderen, koester het verleden maar omarm ook de toekomst. 


zondag 19 augustus 2018

VANITAS VANITATUM ET OMNIA VANITAS

De collectie van de Hermitage in Sint-Petersburg omvat meer dan drie miljoen kunstwerken en voorwerpen uit de wereldcultuur. Het bevat schilderijen, grafische werken, sculpturen, werken van toegepaste kunst, archeologische artefacten en numismatische objecten (geld, munten e.d.) Drie miljoen! Eén of andere onnozele hals schrijft op een internetsite: ‘De uitgebreide collectie kun je nooit op één dag gezien hebben’. Beste mevrouw of mijnheer, dat klopt, maar de formulering is wel héél erg voorzichtig. Als een bezoeker slechts langs alle objecten zou lopen, zonder te stoppen, zou deze een jaar nodig hebben. Een Amerikaanse stagiaire kunstgeschiedenis heeft een paar jaar geleden berekend dat als je alle artefacten van de Hermitage gedurende 1 minuut zou bekijken, de klus 11 jaar zou duren. Overigens is slechts een klein percentage van de verzameling tentoongesteld, de rest is opgeslagen.



In september 2002 hadden wij het buitengewoon grote genoegen om met een ‘bedrijfsuitje’ van J.’s werk een paar dagen Sint-Petersburg te bezoeken. Eén van de meest fascinerende tripjes die we ooit hebben gemaakt. Het voltallig personeel mét partner was uitgenodigd. Het geld klotste bij het bedrijf toen nog tegen de plinten. Dat zou helaas enkele jaren later veranderen… We maakten korte stops in Kopenhagen en Stockholm om vervolgens naar de Russische metropool te vliegen. Ons bezoek aan Sint-Petersburg was één groot hoogtepunt. Een bomvol programma met bezoeken aan kerken, paleizen, concerten, buitenverblijven, het kon niet op. Toevallig was ik op dat moment thuis zeer intensief bezig met het beluisteren van alle symfonieën van Shostakovich. De symfonieën vertellen alle een Russisch verhaal en de 7e Symfonie, ‘Leningrad’ konden we hier, als het ware, voelen en doorleven.



Bij aankomst was het vochtig en grauw en slechts zeven graden boven nul. De noordelijke ligging deed zich gelden. Het programma was, zoals gezegd, zeer vol maar ongelofelijk interessant. Ik had wat opgezien tegen het georganiseerde karakter van ons reisje maar dat bleek onterecht. We werden vijf dagen vermaakt, gefêteerd, getrakteerd en overal naar toe gereden zonder ons maar ergens over te bekommeren. Briljant vonden we het en we genoten van het begin tot het einde. In 2002 fotografeerde ik nog analoog en tot nu toe ben ik nog niet aan het scannen van de dia’s uit Sint-Petersburg toe gekomen. In deze blog heb ik dus een paar digitale plaatjes gebruikt die niet van mijn hand zijn maar van collega’s van J. De digitale ‘early adopters’.


Ons hotel was het destijds fameuze ‘Pribaltiyskaya Sint-Petersburg’ met uitzicht over de Botnische golf. Een monstrueus groot gebouw aan een straat die zo breed was dat je de overkant nauwelijks kon zien in de dampige grijze atmosfeer. Bizar. Binnen keek je je ogen uit aan alle luxe en wat er allemaal gaande was, zoals een Joodse bruiloft of een ander luidruchtig feest. Het leek wel de set van een film. Op de eerste avond stond onze bus klaar voor ons avondprogramma. Ik was klaarblijkelijk iets eerder naar buiten gelopen om een sigaretje te roken ofzo, want J. kwam wat later naar buiten. We waren aan de vroege kant en J. adviseerde mij om even terug te gaan en op de lounge van de eerste verdieping te gaan kijken. Ik keek haar nieuwsgierig aan. “Ga nou maar, je ziet vanzelf wat ik bedoel”. Ik liep via de monumentale trap omhoog, langs de receptie van de eerste verdieping en vervolgens naar de lounge met glazen pui en uitzicht over de Botnische Golf. O ja, het was wel duidelijk wat ze bedoelde: zo ver als het oog reikte waren de luxe lederen fauteuils en banken gevuld met prostituees. Vele, vele tientallen. De een nog knapper dan de ander. Wat hun outfits betrof was het duidelijk dat de dames vonden dat in beperking de meester schuilt. Haha. In wat voor wereld waren we eigenlijk terecht gekomen?

Een onlosmakelijk onderdeel van een bezoek aan Sint Peterburg is natuurlijk de gang naar de Hermitage. J. en ik vreesden er al een beetje voor… Op zaterdag 28 september stapten we in de bus met ons gezelschap en reden naar het grootste museum van de wereld. Het was nog steeds grijs en miezerig weer. Het schijnt dat je tegenwoordig uren moet wachten om het museum te kunnen betreden, maar dat viel toen wel mee. Het is ook alweer 16 jaar geleden. Het toerisme is inmiddels een plaag in sommige delen van de wereld en Sint-Petersburg zal geen uitzondering vormen, vrees ik.


Onze groep werd voor het museum ontvangen door een Nederlands sprekende gids. We kregen een korte introductie over de historie van de Hermitage en dat onze rondgang de hele ochtend in beslag zou nemen. Daarna begaven we ons in de rij naar de ingang waarna we door onwaarschijnlijk prachtige zalen naar het eerste kunstwerk liepen. Het hing in een eindeloos lange gang, vol met enorme schilderijen. Bij de eerste stopte onze gids en begon haar verhaal over het schilderij. Dat duurde tien minuten. Bij de tweede hetzelfde laken een pak. Ik werd al een beetje ongedurig. Na een paar van die ellenlange verhalen keken we elkaar aan met een blik van verstandhouding die maar een ding kon betekenen: ‘weg wezen hier’. We manoeuvreerden ons naar de buitenkant van ons gezelschap en toen niemand keek gingen we er vandoor. Het was natuurlijk culturele blasfemie van de eerste orde. Ze hadden ons eigenlijk voor het gerecht moeten slepen, maar we konden niet anders. Desalniettemin, onze verkenning van de stad die ochtend bleek achteraf één van de hoogtepunten van de trip.

We liepen vanuit de Hermitage de straat op. Wat een heerlijk en vrij gevoel. Hoe geweldig comfortabel het reizen met de groep ook was, ik ken als geen ander de sensatie van helemaal op jezelf in een vreemde wereldstad staan. Fantastisch. Vreemd en vervreemdend bleek Sint-Petersburg al vanaf de eerste dag en hierbuiten, tussen de ‘Leningers’, was dat niet anders.

Op straat keken we onze ogen uit. Het verkeer was razend druk en een afwisseling van oude en gammele bussen en trams, vieze oude Volga’s, rotte Lada’s en zwarte rook brakende brommers. De wrakkige optocht werd afgewisseld met opvallend veel glimmende BMW’s en Mercedessen. Maar ook Aston Martin’s, Lamborghini’s en andere exoten. Op een kruising stopte er een geblindeerde Mercedes S-klasse. Ik bedoel midden op de kruising. Een handjevol vierkante bodyguards stapten uit en bleven naast de auto staan terwijl het verkeer om hen heen raasde. Een onaanzienlijk menneke klom ook uit de auto, liep naar een winkel op de hoek, kwam na vijf minuten terug, stapte weer achterin en de Mercedes verdween weer in het verkeer. Op de hoek van de kruising stond een politieauto waarvan de agenten het tafereel geen blik waardig hadden gegund. Wegkijken heet dat eigenlijk.

Chique winkels en modehuizen werden afgewisseld door shabby ‘winkeltjes van sinkel’ en kiosken met Pravda’s, Vogue’s en de Russische versie van Playboy. De propvolle trottoirs werden bevolkt door het winkelend publiek. Opvallend veel lelijke mannen in te lange leren jacks, oude moekes met hoofddoekjes, bedelende zigeuners, luidruchtige jongelui, dronkaards, straatvegers én beeldschone vrouwen op stiletto ‘heels’. Een parkje was volledig bezet door jongens en meisjes met ghettoblasters en een zee van flessen wodka. Een allegorie van tegenstrijdigheden, dat was Sint-Petersburg en Rusland in 2002.



Perestrojka en Glasnost bleken in de jaren na de val van de muur en het communisme niet het succes te hebben gebracht in de Russische federatie als gehoopt. Het was niet per se de schuld van de idealist Gorbatsjov of drinkebroer Jeltsin, maar de Russische staat bleek al snel onbestuurbaar als een op drift geraakte olietanker op volle kracht. Corruptie vierde hoogtij en de ‘zekerheid’ die men ten tijde van het communisme had was het volk ontnomen. Zelfs de staatspensioenen bleken na 1989 waardeloos. Maar aan deze chaos zou in de nabije toekomst geleidelijk een einde komen. Daar zou de zeer sterke persoonlijkheid Vladimir Poetin voor gaan zorgen. Hij gaf de Russen haar identiteit en trots terug. Maar zover was het in 2002 nog niet en in de grote steden van Rusland heerste naast een gevoel van vrijheid ook wanorde en wetteloosheid. Het was de mores van alledag geworden.

Tegen lunchtijd gingen we eens bij onze groep kijken. Met glazige ogen liepen ze wat verdwaasd rond, helemaal murw geluld, haha. Toen we een week of wat later foto’s uitwisselden konden ze hun ogen niet geloven en realiseerden wat ze gemist hadden, het échte Sint-Petersburg.

Tijdens het schrijven van dit verhaal vroeg ik mij af of wij de enigen zijn die niet direct staan te popelen om een museum te bezoeken. Google gaf mij snel een antwoord: reken maar van yes. Wij blijken zéker niet de enigen en bevinden ons in gezelschap van vogels van allerlei pluimage, tot en met kunsthistorici en journalisten aan toe. Sommigen haten museumbezoek zo erg dat ze er hele blogs of krantenartikelen aan hebben gewijd. Zo erg is het bij ons nou ook weer niet. Alleen of samen hebben we vele tientallen musea bezocht, van San Francisco tot Sydney (oostwaarts welteverstaan 😉). Er zaten echt hele mooie tussen zoals het onovertroffen Swarovski museum in Wattens in Oostenrijk, het bizarre museum van Canova in Possagno in Italië en, uiteraard, het Rijksmuseum. Ik denk dat ik er een blog over vol kan schrijven, over de mooie maar ook over de dodelijk saaie musea. Afgezien van de positieve voorbeelden, moet ik helaas bekennen dat wij allebei regelmatig zeer snel verveeld raken in een museum. We beginnen serieus en aandachtig bij het eerste kunstwerk maar na een half uurtje zegt een van ons, bij wijze van ‘running gag’, “Leuk” en loopt dan gelijk naar het volgende object en zegt weer “Leuk” en zo verder. Niet kort daarna lopen we allebei in ijltempo richting uitgang langs de museale prachtstukken simultaan roepend “Leuk, leuk, leuk, leuk, leuk, leuk…”. Als we dan buiten staan slaken we een zucht van verlichting. Het is gewoon niet helemaal ons dingetje.


Ik bedacht mij dat waarschijnlijk de essentie van mijn (onze) weerstand om op reis musea te bezoeken, ligt aan een ‘mismatch’ tussen binnen en buiten. Althans, in veel gevallen. Je stapt uit een nieuwe en fascinerende omgeving die je net hebt leren kennen en die je verwisselt voor een gebouw met allerlei artefacten die vaak geen enkele associatie met de wereld buiten hebben. De schilderijen gaan meestal nog wel, maar de vitrines met borden, schalen, bestek, munten, kleden en aardewerk vormen een knarsend anachronisme met het tijdsbeeld en de dynamiek buiten. Wij willen verkeer, mensen, winkels, gebouwen, uitzichten, restaurants, parken, markten, pleinen, bussen, metro’s en geuren en kleuren ervaren. Als ik er goed over nadenk is een museum gewoon iets voor thuis. Je eigen land en stad ken je meestal wel aardig, toch? Dus wat beter dan een bezoek aan een museum in eigen land?

Het zal duidelijk zijn dat wij deur niet platlopen in de musea in ons lage land bij de zee. Maar van tijd tot tijd 'doen' we er wel eens een. Als ik een favoriet mag noemen dan is dat zeker het Rijksmuseum. Geen erg originele keus, want het behoort tot één van ’s werelds absolute topmuseums. 


Uiteraard is het gebouw een prachtig monument van bouwkunst, ontworpen door Pierre Cuypers, maar met de inhoud is ook niets mis. Inmiddels ben ik (en J.) er toch wel een aantal keren geweest. Voor en na de verbouwing. Waar ik sinds 2013 elke keer van moet watertanden zijn de fenomenale wandschilderingen door Georg Sturm binnen en buiten op het gebouw. Sturm, een Oostenrijkse kunstschilder, was een vriend van Cuypers en schilderde enigszins in de stijl van de oude Nederlandse schoolplaten door Johan Herman Isings. Sturm’s werk deed ons ook wat denken aan het werk van (Sir) Lourens Alma Tadema. Ik kan echt genieten van de bijna stripachtige stijl, het realisme en de perfecte techniek. Tijdens de ellenlange renovatie werd het werk van Sturm gelukkig in ere hersteld. De tegeltableaus aan de buitenzijde zijn vervaardigd door Villeroy & Boch, de pleepottenboer. Grappig.


In 2015 was de laatste keer dat we het Rijksmuseum bezochten. Het was om de ‘Late Rembrandt’ tentoonstelling te bezoeken. Het was een avondopenstelling en dat was een unieke ervaring. Ook hier verlieten we al zeer snel de meute die zich met honderden voor allerlei pietepeuterige schilderijen en tekeningen van de Hollandse meester verdrongen. ‘Die zien we later wel’, dachten wij en we verdwenen met zijn tweeën het museum in, wat overigens gewoon was toegestaan. Wie heeft er wel eens alleen of samen voor de Nachtwacht gestaan? Of het Melkmeisje? Het was een buitengewoon indrukwekkende, bijna magische ervaring. Ik vroeg de suppoost of dit wel eens vaker was gebeurd. "Nee mijnheer, ik werk hier al vele jaren, maar dit heb ik nog nooit meegemaakt".

Onlangs had J. twee vrijkaartjes gewonnen van de Postcodeloterij en deze week besloten we ze te verzilveren en onze nationale trots weer eens te bezoeken. We beperkten ons ditmaal tot de tuinen, de ‘Kwab’ tentoonstelling, de Eregalerij en de laatmiddeleeuwse schilders. Kwab? Ik geef toe, we hadden er nooit van gehoord.

De tentoonstelling heet ‘Kwab. Dutch design in de eeuw van Rembrandt’. Kwab is een lobbige stijl waarin allerlei gebruiksvoorwerpen en ornamenten werden ontworpen. Het stamt uit de 17e eeuw en je kijkt echt je ogen uit. Bizar dat deze amorfe kunst zou oud is, het lijkt niet te passen in dat tijdsgewricht. Het bleek zeker de moeite waard. Ik verwijs verder naar de website van het Rijksmuseum: https://www.rijksmuseum.nl/nl/kwab-tentoonstelling

Jaren geleden waren we in het Mauritshuis. Mijn moeder leefde toen nog en wilde dolgraag naar de tentoonstelling van de ‘Winterschilders’, winterse landschappen door Nederlandse schilders uit de afgelopen eeuwen. Prachtige tentoonstelling, maar ik werd vooral getroffen door een schilderij van Rembrandt uit de vaste collectie. Het gaat om zijn laatste zelfportret uit 1669. Op een meter of twee afstand is het gewoon een mooi schilderij en typisch voor Rembrandt. Maar naar mate je dichter en dichter bij het schilderij komt verandert het werk in een schijnbare wanorde van ontelbare kleuren en vraag je je af hoe iemand in vredesnaam dit heeft kunnen maken. Het lijkt bijna het werk van een bezetene.



Het was, voor zover ik mij kan herinneren, de eerste keer dat ik volkomen gefascineerd en geraakt werd door een kunstwerk in een museum. Tijdens de Kwab tentoonstelling gebeurde het mij voor de tweede keer. Het Rijksmuseum heeft gekozen om, behalve de Kwab kunstwerken, tevens een groot aantal schilderijen tentoon te stellen waarop de Kwab objecten zijn afgebeeld door schilders uit die tijd. Leuk, dan krijgt het allemaal zo zijn context. In één van de zalen stuitte ik op het werk ‘Vanitas-stilleven met zelfportret van de schilder, 1651, David Bailly’. Ik heb nog nooit zoiets gezien, wat een onwaarschijnlijk schitterend schilderij. Wat een mysterie en wat een techniek.

Vanitas is Latijn en betekent ijdelheid en leegheid. De uitdrukking 'IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid' komt uit de bijbel. Er wordt gezinspeeld dat het aardse leeg en onbetekenend is ten opzichte wat komen gaat, de dood en de eeuwigheid. De titel van dit verhaal is de Latijnse vertaling van de uitdrukking. In de 17e eeuw was Vanitas een thema in de kunst. De symbolen van Vanitas werden op schilderijen weergegeven in de vorm van schedels, dovende kaarsen, zeepbellen, enzovoort. Benadrukt werd dat onze tijd op dit ondermaanse maar relatief was. Ik vind dergelijk abstract en conceptueel denken wel bijzonder voor die tijd.

Bailly doet er in zijn schilderij nog een schepje bovenop. Zijn Vanitas is tevens een zelfportret en dateert van 1651. David is op dat moment 67 jaar oud. De persoon die aan tafel zit is de kunstenaar als jongeman en hij houdt een schilderij omhoog van zichzelf als oudere man van, neem ik aan, 67 jaar. Een bizarre truc met de tijd die in werkelijkheid nooit heeft plaats kunnen vinden. ‘Mindf*ck’ avant la lettre. Het kunstwerk zit verder vol met Vanitas verwijzingen maar ook met elementen als een vaag portret op de achtergrond, een kopie van Frans Hals’ luitspeler aan de muur en een dichtgevouwen briefje onderaan het schilderij. Wat is de betekenis daarvan? Het schilderij is technisch, grotendeels, van zeer hoog niveau. De afwerking van de achtergrond laat hier en daar te wensen over. Dat is jammer, maar doet voor mij niets af aan de verpletterende indruk die het werk op mij achterliet. Het is een onderdeel van de vaste collectie van de Lakenhal in Leiden.


David Bailly, was de zoon van een Vlaamse immigrant en werkte en leefde in Leiden van 1584 tot zijn dood in 1657. Hij maakte studiereizen door Europa en werkte voor Duitse prinsen. Voor wie meer van hem wil weten is Wikipedia geduldig, maar op de website van het RKD vindt u alles. Het RKD is het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis en is een van de belangrijkste documentatie- en onderzoeksinstellingen ter wereld. Hun website: https://rkd.nl/en/ Dit wist ik natuurlijk ook niet, maar weblogs schrijven is een leerzame bezigheid.

Hebben we een epiloog nodig? Een moraal? Misschien toch wel een beetje. Als kind en tiener tekende en schilderde ik er flink op los. Niet onverdienstelijk want veel lager dan een ‘9’ scoorde ik zelden met mijn werk op school. Ben ik dan een opschepper? Ik denk het niet, want zo was het. Ik werd door menig tekenleraar gemaand naar de Kunstacademie te gaan. Mijn ouders waren daar niet enthousiast over en zowel de ambitie als de vaardigheid is vervlogen in de tijd. Jammer. Mijn interesse in kunst en cultuur was er al vroeg. Ook die interesse werd sleets en werd geabsorbeerd door andere hobby’s en zaken zoals reizen, muziek, lezen, fotografie, het leven van alledag en, natuurlijk, dat verdomde werk. Dat is eigenlijk wel jammer, want, zo blijkt, ergens zit de fascinatie, met name voor schilder- en tekenkunst, nog wel ergens in mij. Moraal van het verhaal is dat wij toch eens wat vaker een museaal uitstapje moeten maken. Het is de moeite waard om mijn interesse van ooit weer eens wat nieuw leven in te blazen. En de reiziger naar verre oorden adviseer ik toch vooral de ‘straat’ niet te vergeten en niet al te veel tijd te verspillen tussen potten en pannen in vitrines. Ik bedoel het goed maar ik weet natuurlijk ook wel dat eenieder dat mooi voor zichzelf bepaalt. Hoe dan ook, ik wens iedereen veel wijsheid en plezier met zijn of haar keuze. O ja, als u ooit in Sint Petersburg bent en de kans krijgt, gewoon lekker een ochtendje in de Hermitage gaan kijken hoor. Zonder gids... 😃

dinsdag 31 juli 2018

TOMASZ STANKO R.I.P.

Een boer’n kaaskop, dat ben ik. Een echte Jan-de-Hollander. Overleggen, pappen, nat houden, polderen. Dat werk. Het is een beetje kort door de bocht, maar zo zitten wel heel veel Nederlanders in elkaar. Het is, denk ik, één van de redenen dat we al eeuwen een succesvol volkje zijn. Ik generaliseer hier wel behoorlijk,  maar ik geloof wel in een gemiddelde volksaard. Fransen, Italianen, Britten, Indiërs, Chinezen, ze lijken toch allemaal met hun eigen volkse sopje te zijn overgoten. Polen kennen we allemaal van de klusbussen, te grote ouwe BMW’s en zwijgende mannen die hun winkelwagen vol gooien met diepvries pizza’s en blikken bier. Toch? Nu komt de nuance om de hoek kijken. Net als dat er Italianen bestaan die stil in een hoekje zitten en er Britten rondlopen zonder gevoel voor humor, bestaan er Polen met soul. Daar gaat dit In memoriam over. 

Tomasz Stańko was een Poolse trompettist en componist en één van de meest vooraanstaande muzikanten in de Europese jazz scene. Zijn faam reikte ook ver buiten Europa. Stanko overleed eergisteren op 76-jarige leeftijd in Warschau aan de gevolgen van ‘de’ rotziekte. Ik ontdekte Tomasz’ muziek ergens medio jaren negentig. Hij was toen net een tweede muzikale koers ingeslagen: muzikaler, meer soul, maar vooral creatiever en sfeervoller. Bovendien werd zijn muziek voortaan vastgelegd op Manfred Eicher’s ECM label en dat doet elke muziek goed. 

Stanko debuteerde in de late jaren vijftig en speelde gedurende zijn leven met vele groten uit de jazz wereld, maar ook met klassieke componisten als Krzysztof Penderecki. Net als zijn grote voorbeeld, Miles Davis, was hij een mentor voor jonge muzikanten. De albums ‘Litania’ en ‘Dark Eyes’ werden een relatief succes. Zijn oudere muziek spreekt mij minder aan, want iets te veel free jazz. Adel verplicht en ik wilde hier niet voorbij gaan aan het overlijden van Tomasz Stanko.



©Publicity picture – London Jazz News

Ik heb geen bijzondere associaties met Stanko anders dan dat het een briljant trompettist  was en dat ik een paar mooie albums van hem heb en regelmatig luister. Stanko word ik nooit zat. Hij bood ook een podium aan één van de beste jazzpianisten van de afgelopen decennia, Marcin Wasilewski. Op 19 mei jl. bezocht ik samen met Stijn een concert van het Marcin Wasilewski trio in LantarenVenster in Rotterdam. Onze verwachtingen waren zeer hoog gespannen en die werden beloond, althans in technisch opzicht. Muzikaal gezien een fantastisch staaltje, maar de sfeer ontbrak. Alsof ze in een studio speelden. Jammer, want het hele concert kon ik niet onderdrukken dat ik naar Stanko’s erfgenaam zat te luisteren en daar had wel wat meer passie vanaf mogen stralen. Maar ja, dat is ook de Poolse volksaard denk ik… Het is de enige keer dat ik een concert heb bijgewoond van iemand uit de Stanko stallen. Tomasz heb ik zelf nooit live zien spelen.

Er 'liggen' nota bene al een tijdje twee albums voor mij klaar die  ik nog van FLAC naar CD moet processen: ‘Lontano’ en ‘Wislawa’. Toeval bestaat niet. Stanko's laatste studio album met zijn nieuwe New York Quartet heet ‘December Avenue’ en ken ik nog niet. Ik heb dus nog wat huis- en luisterwerk te doen. Ik verheug mij er op en houd op die manier voor mijzelf de herinnering levend aan de iconische muzikant Tomasz Stanko.

Remembering Tomasz Stanko - 
Sequenced by Manfred Eicher - July 31, 2018





MARCIN WASILEWSKI TRIO – LANTARENVENSTER – 19 MEI 2018

Marcin Wasilewski kende ik eigenlijk wel maar ook weer niet. Uiteraard wel als de fenomenale pianist van Tomasz Stanko, maar niet als zelfstandig muzikant. Of was ik het vergeten? Hoe dan ook, een paar jaar geleden stuitte ik op het album ‘January’ van Wasilewski. Ik was meteen verkocht en sindsdien ben ik fan. Wasilewski behoort tot de beste jazz pianisten ‘ever’ en toen hij in Nederland zou optreden heb ik gelijk twee kaartjes voor mij en Stijn gekocht. De muziekvrienden waren verhinderd. LantarenVenster staat garant voor goede akoestiek en de avond kon niet kapot…


Muzikaal was het goed, gelikt, perfect maar het werd een wat zielloos gebeuren. Er werd door Marcin of de andere muzikanten geen woord gezegd. Ze keken niet eens de zaal in. We hadden net zo goed een CD kunnen luisteren. Het was daardoor eigenlijk een rare avond en ook wel een beetje een ontgoocheling. Je wil toch wat interactie tijdens een live concert en het gevoel dat de muzikanten het ook naar hun zin hebben?

Marcin Wasilewski – piano
Slawomir Kurkiewicz – contrabas
Michal Miśkiewicz – drums


NIK BÄRTSCH – TIVOLI UTRECHT – 2 MEI 2018

We waren in oktober vorig jaar nog geweest. Naar ‘Nik’. In Rotterdam en dat was geweldig (https://goo.gl/iKbbnw). Ik beperk mij hier dus een beetje want de geschiedenis herhaalde zich grotendeels, maar niet helemaal. We hadden afgesproken om met zijn vieren wat te eten voorafgaand aan het concert. Het was praktischer onafhankelijk naar Utrecht te reizen en we ontmoetten elkaar in Tivoli waar we eerst een ‘vorkje prikten’ zoals dat zo mooi heet tegenwoordig. We moesten in Tivoli helemaal naar de zolder klimmen en dat is echt serieus hoog. Nik Bärtsch’s Ronin kreeg deze avond een tweederangs zaaltje. Een klein podium en het publiek mocht zitten op losse stoelen. Ik vond het eerlijk gezegd wel een beetje een aanfluiting. 



Ons concert was vlak voor de première van hun nieuwste album ‘Awase’ en daar speelden de mannen natuurlijk wat nummers van. Anderhalf uur te gekke ‘ritual groove music’ waar niets aan af te dingen was. Helaas was de akoestiek niet optimaal. Met een trap kon je nog naar een soort balkon en daar had je een mooi zicht en klonk het beter. Maar Nik en zijn mannen verdienden meer dan een podium op zolder. De volgende dag waren ze te gast bij de VPRO. Op Youtube staat het interview met Nik door Giovanca en twee van hun nummers. 




Na het concert scoorden we de nieuwe CD en/of LP en lieten Nik signeren. Hij herkende mij meteen en begon een praatje. Leuk. Het is volgens mij echt een hele aardige kerel. Later hebben we nog een paar mailtjes heen en weer gestuurd. Maar, op zolder of niet, we hadden weer een hele fijne en gezellige avond. Goeie muziek met vrienden. Prachtig.

Nik Bärtsch - piano
Kaspar Rast - drums
Thomy Jordi - electric bass
Sha - sax & bass clarinet